De naam Bob van der Stok klinkt bij sommigen bekend in de oren. Dat is niet vreemd, want deze Engelandvaarder nam in 1944 deel aan de bekende massaontsnapping uit krijgsgevangenkamp Stalag Luft III (naderhand bekend geworden als The Great Escape) en wist vervolgens een tweede keer England te bereiken. Begin jaren tachtig van de vorige eeuw schreef Van der Stok zijn autobiografie Oorlogsvlieger van Oranje.

Erwin van Loo van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie stond op 11 juni uitgebreid stil bij de dubbele Engelandvaart van Bob van der Stok. Maar hij stond niet alleen stil bij het avontuurlijke leven van deze voormalige jachtvlieger. Hij ging ook uitgebreid in op de gevolgen van de oorlog voor de rest van het gezin Van der Stok.

Dat bestond naast de vader en moeder uit vier kinderen geboren tussen 1913 en 1923: Felix, Bob, Hans en Anky.

Laatstgenoemd bevond zich tijdens de oorlogsjaren in Zwitserland, maar de rest van de familie woonde in Nederland toen de oorlog uitbrak. Bob was jachtvlieger bij de Militaire Luchtvaart, Felix diende bij de artillerie en Hans was adelborst aan het KIM. Vooral Bob zag tijdens de vijf oorlogsdagen veel actie. Hij voerde meerdere gevechtsvluchten uit.

Na de Nederlandse capitulatie keerden de drie broers huiswaarts. Bob vervolgde zijn studie geneeskunde. Felix pakte zijn werk als verzekeringsagent weer op. En Hans ging een opleiding volgen aan de zeevaartschool. Maar wat hun werkelijk bezighield was de Duitse bezetting. Het hele gezin was sterk Oranjegezind en vaderlandslievend. Het zinde hen in het geheel niet dat Nederland nu was bezet. Terwijl een groot deel van de Nederlandse bevolking zich nog probeerde aan te passen en een afwachtende houding aannam, verzeilden Felix en Bob al heel vroeg in het verzet.

Bob van der Stok
Felix van der Stok
Hans van der Stok

Bob en Hans besloten uiteindelijk te proberen om weg te komen naar Engeland. Na zeker drie mislukte ontsnappingspogingen lukte het Bob om in juli 19141 als verstekeling aan boord te geraken van het Zwitserse schip St. Cergue. Na meer dan een week schuilhouden in een zeer kleine ruimte in de machinekamer hield een Brits marineschip op de Atlantische Oceaan de St. Cergue aan en kon Bob samen met enkele andere Engelandvaarders, onder wie Erik Hazelhoff Roelfzema en Peter Tazelaar, overstappen op de Britse oorlogsbodem. Hij was weer vrij.

Hans vertrok een klein jaar later als messbediende op een Nederlands schip naar Zweden. Daar aangekomen droste hij en meldde zich bij de politie. Na een verblijf van een half jaar op een bloembollenkwekerij in het zuiden van het neutrale land, kwam er een plekje vrij aan boord van een Brits vliegtuig dat hem naar Schotland vloog. Ook hij was daarmee veilig in vrij gebied beland.

Na zijn aankomst in Groot-Brittannië nam Bob dienst bij de RAF. Vanaf eind 1941 vloog hij operationele missies als jachtvlieger van het 41 Squadron. In april 1942 sloeg het noodlot toe. Boven West-Frankrijk schoot een Duits jachtvliegtuig zijn Spitfire neer. Bob wist zijn toestel met de parachute te verlaten maar belandde in krijgsgevangenschap. Hij belandde vervolgens in Stalag Luft III waar hij zich direct ging bezighouden met het ontsnappingswerk. Bob was een meestervervalser en speelde een belangrijke rol bij het vervaardigen van nepdocumenten en was een kei in het omkopen van het bewakingspersoneel. In 1943 probeerde hij meerdere keren te ontsnappen. Zonder succes. In de nacht van 24 op 25 maart 1944 was het wel raak. Als achttiende gevangene kroop hij uit een honderd meter lange tunnel en begon zijn lange reis terug naar Engeland. Uiteindelijk wisten 76 gevangenen te ontkomen. Slechts drie van hen, onder wie Van der Stok wisten Engeland te bereiken.

De overigen kwamen weer in Duitse handen. Vijftig van hen werden op last van Hitler vermoord. Na terugkeer in Engeland mocht Bob – na lang zeuren – toch weer operationeel gaan vliegen. Aan het eind van de oorlog was hij commandant van het Nederlandse 322 Squadron.

Hans volgde na aankomst in Engeland een opleiding tot geheim agent van het Bureau Inlichtingen. In September 1943 keerde hij terug in Nederland als microfotograaf. Hij belandde in Amsterdam, waar hij aan de slag ging. Spoedig legde hij ook contact met Felix die in de voorgaande jaren meer en meer in het verzetswerk was beland en vanaf eind 1943 definitief moest onderduiken. Felix belandde bij zijn jongere broer in Amsterdam. Op 2 februari 1944 sloeg het noodlot toe. Kort nadat een andere man van het Bureau Inlichtingen op de Prinsengracht was gearresteerd, arriveerden nietsvermoedend Felix en Hans en vielen zo ook in Duitse handen. Beiden werden ter dood veroordeeld. Felix belandde uiteindelijk in concentratiekamp Neuengamme, waar hij begin januari 1945 de dood vond. Hans kwam in Mauthausen terecht waar hij de dood vond in een ondergrondse tunnelfabriek nabij St.Georgen in april 1945, slechts enkele weken voor het einde van de oorlog.

Na de ontsnapping van Bob uit Stalag Luft III en de arrestatie van Hans en Felix onderging hun vader zware ondervragingen waarbij hij ernstig werd gemolesteerd. Blind en niet meer in staat om zelfstandig te lopen ‘overleefde’ hij de oorlog. Maar het was allemaal te veel. Door het verlies van zijn twee zonen en de opgelopen verwondingen tijdens de ondervragingen overleed hij in juli 1945. Daarmee kostte de oorlog (in)direct aan drie leden van het gezin Van der Stok het leven.

Voor de vaderlandsliefde, oranjegezindheid en het sterke rechtvaardigheidsgevoel moesten de ‘Van der Stokken’ een zeer hoge tol betalen. Alleen al daarom was het belangrijk dat hier op 11 juni door Erwin van Loo bij stil is gestaan. De lotgevallen van de leden van de familie Van der Stok zullen worden verwerkt in een boek, dat naar verwachting volgend jaar zal worden voltooid.