Door Jos Teunissen
Van ‘lulletje rozenwater’ tot piloot op een Mitchell-bommenwerper: Engelandvaarder Paul van Hessen had in zijn jeugd een lage dunk van zichzelf. ‘Maar in moeilijke omstandigheden ontdek je dat er meer in je zit dan je dacht.’
‘Mijn grootvader was slagersjongen. Rond 1885 begon hij een eigen slagerij in de Jansstraat in Groningen. Uit zijn huwelijk werden zeven kinderen geboren: vijf jongens, twee meisjes. De oudste jongens, Leo en Julius, gingen in de slagerij werken; zij verdienden de kost waardoor de andere kinderen konden studeren. Mijn vader Julius en oom Leo gingen in het pand boven en naast de slagerij wonen. Als enig kind, geboren op 10 maart 1914, groeide ik daar op, samen met de twee kinderen van mijn oom Leo. Mijn tante deed de boekhouding van de slagerij, mijn moeder het huishouden. Wij waren een grote, hechte familie.
Ik ging naar de openbare lagere school in de Jacobijnerstraat, later naar de HBS in de Jansstraat. Daarnaast ging ik naar de orthodoxe sjoel, maar ik kreeg een gewone doorsnee Joodse opvoeding; een liberaal-Joodse gemeente had je toen nog niet. Jood zijn heb ik nooit als bijzonder ervaren. Joden waren en zijn voor mij dezelfde mensen als andersdenkenden. Toch voelde ik dat je als Jood in een apart vakje werd gezet. ‘Lelijke Jude’ lag bij veel mensen voor in de mond. Ik heb het niet ervaren als antisemitisme en kon toen ook niet begrijpen dat mensen elkaar opzettelijk kwaad wilden doen.’
Hij werd lid van de Joodse sportvereniging Attila, die mede door zijn vader was opgericht. ‘Daarnaast voetbalde en tenniste ik, later deed ik ook aan paardensport. Voorts zat ik tussen mijn zesde en twaalfde op pianoles. Hoewel ik het graag deed, ging de aardigheid er uiteindelijk vanaf. Waarschijnlijk had ik geen goede muziekpedagoge. Bovendien was ik jaloers op mijn neef Hans, die voortreffelijk piano speelde en ook in al die sporten beter was dan ik.
Op mijn 17-de behaalde ik mijn diploma HBS-A. Na het eindexamen ging ik meteen naar Den Haag. Een oom van me bezorgde me er een baan bij De Bijenkorf, waar ik als volontair aan de slag kon voor vijftien gulden in de maand. Na een jaar werd ik verkoper op de afdeling herenmode en kreeg ik vijf gulden opslag. Niet veel later hield ik het voor gezien, omdat je in die tijd kon rondkomen van een salaris van 100 tot 110 gulden en dat verdiende ik bij lange na niet. Ik wilde zelf in mijn onderhoud voorzien en niet meer ten laste van mijn ouders komen.
In 1933 kon ik in de zaak van mijn oom Ludwig komen werken, hij had in Rotterdam een kantoor geopend van de fabriek die hij in 1902 in Groningen was begonnen voor de productie van natuurdarmen voor de voedingsmiddelenindustrie: de ‘NV Nederlandsche Industrie van Dierlijke Producten, voorheen S. van Hessen & Zoon’. Ook had hij sinds 1923 in Hamburg een dergelijk bedrijf, met 150 man personeel. Ik ging ineens ruim drie keer meer verdienen: 75 gulden per maand.
In 1934 moest ik in Den Haag in militaire dienst en kwam bij de grenadiers-jagers, die een kazerne hadden aan de Waalsdorperweg. Ik heb er veel wacht gelopen, onder meer bij Huis ten Bosch, waar ik af en toe koningin Wilhelmina op de fiets zag rijden. ’s Avonds kon ik met de Hofpleinlijn, die er vlak langs liep, per trein naar het kantoor in Rotterdam. Ik was nog geen paar maanden in het bedrijf toen Hitler aan de macht kwam.
Toen het voor Joden in Duitsland steeds moeilijker werd, heeft mijn oom de fabriek in Hamburg ontmanteld en naar Rotterdam verhuisd. Dat was voor mij een groot voordeel: ik kon daar mijn opleiding voortzetten. Al snel werd ik er bedrijfsleider. In 1937 hadden we in Rotterdam zo’n 150 werknemers. De fabriek werd verplaatst naar een loods in het havengebied. Daar hebben we kunnen werken tot het uitbreken van de oorlog.’
‘Mij kan niets overkomen’
In ’39 moest hij opnieuw in dienst, dit keer vanwege de oorlogsdreiging. ‘Ik werd chauffeur bij de motordienst van het eerste legerkorps, waar ik douche- en vrachtwagens moest vervoeren en zo nu en dan een generaal. In mei ’40 was ik gelegerd in het gebouw van de Haagse Schoolvereniging aan de Nassaulaan in Den Haag. ’s Nachts hoorden we dat de oorlog was uitgebroken. We kregen geen bevelen meer.
Op een gegeven moment moest er prikkeldraad naar Utrecht worden gebracht. Iemand was voor die klus aangewezen, maar omdat hij getrouwd was bood ik mij aan om het in zijn plaats te doen; ik was immers niet getrouwd. De rit naar Utrecht was niet zonder gevaar, omdat buiten Den Haag Duitse parachutisten waren geland. Maar ik hou van avontuur. Mijn hele leven heb ik het gevoel gehad dat mij toch niets kan overkomen. Ik heb voor deze klus een lintje gekregen.
Op 15 mei ’40, de capitulatie van het Nederlandse leger, werd ik als krijgsgevangene door Duitse soldaten naar Rotterdam gebracht. Ik werd met andere dienstplichtigen ondergebracht in een park zonder enige faciliteiten, sanitair, eten of drinken. De volgende dag hoorden we dat alleen mannen die tot een eenheid behoorden terug mochten naar hun kazernes; de individuele soldaten moesten per direct als krijgsgevangenen naar Duitsland. Ik heb toen een man of zestien van mijn compagnie verzameld en het commando op me genomen, waardoor het leek alsof we een eenheid waren. In looppas liepen we het hek uit. Ik nam hen mee naar het bedrijf, ik had de sleutels bij me. Nadat we er wat gegeten hadden, heb ik hen in de vrachtwagen naar Den Haag gebracht.
Een paar weken later kreeg ik vergunning om de vrachtwagen terug te rijden naar de zaak, maar uiteindelijk werd de wagen toch in beslag genomen. Het bedrijf moest voortaan worden geleid door onze ‘arische’ boekhouder. Wel moest de naam veranderen in ‘NV Nederlandse industrie van dierlijke producten’; het leidde tijdens de oorlog een slapend bestaan. Dat was voor mij het moment om een plan te maken om weg te komen uit Nederland.’
In juni ’41 doet Van Hessen een eerste poging om in een kano uit Nederland te ontsnappen. Samen met de eveneens Joodse broers Harry en Sam Meijer en hun Joodse vriend Joke Sanders wordt een plan gemaakt: in een stalen kano met luchtkisten en een buitenboordmotor, voldoende proviand, waterdichte kleding en een kompas zou de overtocht naar Engeland moeten lukken.
Van Hessen: ‘Harry’s familie had een zomerhuis in de duinen bij Noordwijk. Als er iets mis ging, konden we daar onze toevlucht nemen. Ik voelde me bij dit plan echter niet senang, het werd me ook van alle kanten afgeraden. Wel heb ik kunnen regelen dat de kano door de Rotterdamse garagehouder Jan Hoogeboom per oplegger naar Noordwijk werd vervoerd. De afvaart verliep goed, maar op zee sloeg de kano om. Met grote moeite konden ze het strand bereiken.’ In oktober probeerden de drie het opnieuw, nu via de route door Frankrijk en daarna via Zwitserland naar Spanje. Bij de Frans-Zwitserse grens werden ze gearresteerd. De broers en Sanders overleefden Auschwitz niet.
‘Ik zag er te Joods uit’
Via een kennis van zijn ouders kreeg Van Hessen een adres in Zwitserland. ‘Verder kon deze meneer, ene Mulder, me niet helpen omdat ik er volgens hem ‘te Joods uitzag’. Mijn ouders, oom en tante en mijn vriendin Nina wisten van dit plan, niemand was er op tegen. Maar we praatten er verder niet over. Ik kwam in contact met Arie Brandon, een fruithandelaar in Rotterdam die ook weg wilde; hij wist een route naar onbezet Frankrijk. Brandon was niet-Joods en stond op het punt te trouwen met Willy Sjouke, maar verkocht zijn uitzet om aan geld voor de reis te komen.
Met Marcel Adler erbij vertrokken we op 5 maart 1942 op de fiets richting de Belgische grens. Brandon had zogenaamd dienst genomen bij de Organisation Todt, de Duitse aannemingsbedrijf dat bunkers bouwde op de Franse kust, met als taak werklieden naar Frankrijk te begeleiden. Hij had papieren bemachtigd, waarmee hij ons mee de trein in kon nemen naar Cherbourg en Boulogne sur mer.’

Paul van Hessen, zomer 1943
Na een reis vol gevaar en obstakels bereikten ze via Parijs het onbezette deel van Frankrijk. ‘Daar aangekomen voelde ik de vrijheid weer: tranen in mijn ogen. Tegen een advies in gingen we op een station in de wachtkamer zitten. Daar werden we opgepakt door gendarmes. Ik werd in een cel met vier man gezet, op water en brood. Na drie weken werd ik voorgeleid en vrijgesproken. We waren dan wel illegaal het land binnengekomen, maar daar hadden ze begrip voor. Ik kreeg een résidence forcée, een soort vrijbrief waarmee ik naar Lyon kon reizen. Daar kreeg ik hulp van de heer Meijlink, de vertegenwoordiger in Frankrijk van ons Rotterdamse bedrijf, maar ook van het office neerlandais.
In Marseille kreeg ik een visum voor Curaçao en een uitreisvisum voor Frankrijk, dat je alleen kon krijgen als je een transitvisum voor Spanje had. Maar zo’n visum kreeg je alleen als je ongeschikt was voor militaire dienst of ouder dan 30 jaar. Van een arts kreeg ik een ongeschiktheidsverklaring. Brandon en Willy kregen een visum voor Zwitserland en Adler voor Argentinië. Eind september ging ik met de trein naar Spanje. In Madrid kreeg ik van de Nederlandse consul wat geld voor kleren. Met het schip ‘Cabo de buena esperanza’ bereikte ik Curaçao, waar ik werd ontvangen door de Nederlandse gouverneur Piet Kasteel.
Als dienstplichtig soldaat werd ik onmiddellijk onder de wapenen geroepen. Met een tanker, de Falcon, kon ik mee naar Engeland. In een konvooi van 21 tankers gingen we op weg. Twee tankers werden in brand geschoten, de hele zee werd erdoor verlicht. Ik zat op een tanker met zware olie, niet met benzine, waardoor het gevaar voor ons niet zo groot was. Vanuit New York gingen we richting Engeland in een konvooi van 52 schepen, waarvan er 31 aankwamen, de rest was onderweg getorpedeerd. Ook toen had ik steeds het gevoel ‘mij gebeurt dat niet’. Vanaf mijn geboorte had ik dat meegekregen: je moet overleven.’
Latent antisemitisme
Op 4 december 1942 arriveerde Van Hessen in Engeland. Hij werd tien dagen in quarantaine gehouden en een aantal keren verhoord. ‘Ik had nogal wat kritiek geleverd op het diplomatieke establishment in Frankrijk. In een rapport stelde ik dat ik hen verdacht van latent antisemitisme en was bang dat ze me dat in Londen niet in dank zouden afnemen.’
Hij meldde zich bij de Marine Luchtvaartdienst (MLD). ‘Begin ’43 kreeg ik mijn eerste training en midden ’43 ging ik naar Canada, waar ik mijn vliegbrevet behaalde. Zomer ’44 werd ik in Engeland opgeleid voor dienst op de Mitchell-bommenwerpers. In mijn verlofperioden bracht ik veel tijd door in Oranjehaven; het ‘clubhuis’ van de Engelandvaarders in Londen werd mijn tweede thuis. Eind ’44 was mijn eerste vlucht. Met drie andere mannen, een waarnemer en twee boordschutters, werd ik gestationeerd op het vliegveld Melsbroek bij Brussel, het latere Zaventem.
Ik kwam er aan op 31 december en op 1 januari 1945 kreeg ik mijn vuurdoop: de Luftwaffe bombardeerde bij wijze van laatste stuiptrekking vliegvelden in België.

Paul van Hessen, mei 1944
Ons geluk was, dat de meeste vliegtuigen in de lucht waren, op de grond stonden er maar een stuk of tien, waarvan er zeven werden vernietigd. Om aan het vuur te ontkomen ben ik in een greppel gaan liggen. De dagen erna maakte ik mijn eerste vlucht. Na de briefing kregen we nog een uur de tijd om ons voor te bereiden. Ik had het benauwd en dat gold voor iedereen: uiteraard ben je in zo’n situatie doodsbang.
Paul van Hessen voor de B-25 Mitchell bommenwerper Sarinah
Op mijn vijfde vlucht werd ik geraakt door afweer, ik kreeg een granaatscherf in de schouder, gelukkig niet rechtstreeks maar via de stalen beschermplaat in de uitrusting. Ik ging meteen uit de formatie en maakt een voorkeurslanding op Melsbroek. In een ziekenhuis werd het weer netjes in elkaar genaaid en na een paar weken maakte ik nog 20 vluchten, zonder problemen: grondtroepen ondersteunen, kanonposities, wegenknooppunten, rangeerterreinen en bruggen bombarderen. Alles deden we overdag, zodat we foto’s konden maken van wat we hadden aangericht.
Het moest gebeuren, er was geen alternatief. Eind april liep de oorlog ten einde en nam ik verlof op. Ik ben onmiddellijk terug gegaan naar Holland.
De oorlog heeft mijn karakter in hoge mate gevormd. Voor de oorlog voelde ik me een lulletje rozenwater. Grootse dingen waren niet voor mij weggelegd, dacht ik toen. Na de oorlog heb ik dat van me af gezet. In moeilijke omstandigheden ontdek je dat er meer in je zit dan je dacht. Daarom moet je nooit opgeven en zeggen ‘dat kan ik niet’.
Bovenstaand artikel is een bewerking van een gefilmd interview met Paul van Hessen op 18 februari 1996 in Den Haag. Hij overleed in 2000.
Het familiebedrijf Van Hessen is wereldwijd bekend om zijn productie van ‘natuurdarmen’ (het eetbare velletje om worsten).
Het bedrijf werd tot in de jaren negentig door Paul van Hessen geleid en heeft ruim honderd jaar na de oprichting kantoren en fabrieken in Australië, België, Canada, China, Frankrijk, Hong-Kong, Italië, Mexico, Nederland, Nieuw-Zeeland, Polen, Slowakije, Spanje, Tsjechië, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten.
Daarnaast doet het bedrijf zaken in landen als Brazilië, Chili, Zuid-Afrika, Japan en Rusland. Van Hessen mag zich het grootste bedrijf op het gebied van natuurdarmen ter wereld noemen.
[
Wordt vriend van het museum
](/steun-ons)
[
Speel de Escape Game!
](/escape-game)
[
Plan je bezoek ](/plan-je-bezoek)