Albert Roessingh: een bevlogen jongeman. Deel 2: een vliegend bestaan

Albert Roessingh: een bevlogen jongeman. Deel 2: een vliegend bestaan

Door Erwin van Loo

Over naar de Royal Air Force

Nadat Albert (Ab) Roessingh begin oktober 1941 voet aan wal zet in Glasgow, staat voor hem al min of meer vast wat hij wil: vlieger worden. Op die manier kan hij op een actieve manier een bijdrage leveren aan de bevrijding van Nederland en de beëindiging van de Tweede Wereldoorlog. Aangekomen in Londen laat Roessingh daarom weten dat hij bij de RAF wil. Daartoe bestaan mogelijkheden, want de Nederlandse regering-in-ballingschap mag vanaf het voorjaar van 1941 op gezette tijden groepjes vrijwilligers detacheren bij de Britse luchtmacht.

Als Engelandvaarder beschikt Roessingh over goede papieren om zijn voorkeur voor een vliegende functie kracht bij te zetten. De medische keuring vormt geen hindernis: Roessingh is welkom. Op 24 november 1941 is het zover en wordt hij bij de RAF Volunteer Reserve ingedeeld als leerling-vlieger met het persoonlijke dienstnummer 113895. Omdat hij het tijdens zijn dienstplichttijd in Nederland tot reserve eerste luitenant heeft geschopt, wordt hij ook in de RAF in de officiersrangen opgenomen, maar wel in de iets lagere rang van pilot officer (tweede luitenant).

De training verloopt geheel binnen de kaders van het in 1939 ingestelde British Commonwealth Air Training Plan (BCATP), waarbij duizenden oorlogsvrijwilligers uit het Gemenebest en de bezette Europese landen op uniforme wijze in vooral Nieuw-Zeeland, Australië, Zuid-Afrika en Canada worden klaargestoomd voor vlieger, navigator, bommenrichter, vliegtuigtelegrafist, luchtschutter of een andere functie. Eind november meldt Ab Roessingh zich met een aantal landgenoten bij een_ Aircrew Receiving Centre_ (ACRC) in het centrum van Londen. In dit opkomstdepot ontvangt hij zijn uniform en uitrusting, wordt hij voorzien van een RAF-pas en krijgt hij diverse inentingen. Roessingh is voortaan duidelijk te herkennen als vlieger-in-opleiding door de witte reep stof op zijn veldmuts.

Vlak voor kerst 1941 verkast de Nederlander met zijn collega’s naar Trinity College, de universiteitscampus van Cambridge. Hier ondergaan zij, acht luitenants en zestien ondergeschikten, hun militaire basistraining bij No. 2 Initial Training Wing (ITW). De aspirant-vliegers krijgen gedurende deze twee maanden veel sport en exercitie voorgeschoteld. Daarnaast verblijven ze de nodige uren in de schoolbanken. Ze volgen lessen wiskunde, bestuurskunde, recht, gezondheidsleer, aardrijkskunde en hygiëne en verdiepen zich daarnaast in aan de luchtmacht gerelateerde onderwerpen als navigatie, meteorologie, vliegtuigherkenning en vliegtuigtechniek. Omdat Ab en zijn Nederlandse collega’s deel uitmaken van reguliere klassen, vindt het onderwijs volledig in het Engels plaats.

Lastpost Roessingh

De tijd in Cambridge verloopt niet bepaald rimpelloos. Het gedrag van de acht Nederlandse leerlingen met de officiersrang, onder wie dus ook Roessingh, is volgens de Britse commandant regelmatig officier-onwaardig. De Nederlandse liaisonofficier van het Ministerie van Oorlog bij het Air Ministry, kapitein Jan Berdenis van Berlekom, moet eraan te pas komen om de crisissituatie te bespreken. “Alras kwamen eenige onzer officieren te laat in de lessen of bleven zelfs wel eens weg”, zo schrijft Berdenis van Berlekom in het verslag voor zijn superieuren na terugkeer in Londen. “Zeer terecht heeft de Commandant toen ingesteld dat zij voortaan met de cadetten moesten meemarcheren. Deze jonge luitenants voelden dat als een onwaardige behandeling, die volgens hen hun prestige bij de Nederlandse cadetten kon schaden.

Albert Roessingh in RAF-uniform in Canada

Albert Roessingh in RAF-uniform in Canada

Zij gaven uiting aan deze gevoelens door een mokkende houding in te nemen, wat de zaak verergerde.” Vooral Roessingh maakt het bont. Hij is zelfs een keer bijna twintig uur ongeoorloofd afwezig waardoor hij een examen mist.

De Britse commandant besluit daarop Roessingh te ontslaan. Pas na uitvoerige excuses van Berdenis van Berlekom wordt deze beslissing teruggedraaid. Berdenis van Berlekom laat het vervolgens niet na om in een persoonlijk onderhoud de Tilburger de wind van voren te geven. Roessingh heeft de boodschap begrepen en gedraagt zich de laatste periode in Cambridge, net als zijn kameraden overigens, voorbeeldig. Kort daarop, op 22 april 1942, komt de opleiding ten einde en mag Roessingh tijdens een aansluitende verlofperiode zijn gedrag nog eens overdenken.

Tot dan toe is er nog geen vliegtuig aan te pas gekomen. Dit verandert medio mei 1942 wanneer naar het vliegveld Desford wordt verhuisd voor de volgende fase van de opleiding: de ongeveer twee weken durende grading course bij No. 7 Elementary Flying Training School (EFTS). Deze bestaat uit ongeveer twaalf uur vliegles op de De Havilland Tiger Moth, een kleine dubbeldekker. Doel van de korte vliegtraining is vooral om na te gaan of de leerling-vliegers over voldoende aanleg beschikken. Daarvoor maken zij drie keer een examenvlucht met hun instructeur. Ook moeten ze voor het einde van de cursus een solovlucht hebben gemaakt.

Albert Roessingh in de cockpit van zijn Airspeed Oxford

Albert Roessingh in de cockpit van zijn Airspeed Oxford

Bij een gunstig oordeel wordt de kandidaat toegelaten tot de eigenlijke vliegopleiding. De diverse afvallers gaan meestal naar de opleiding tot navigator. Ab Roessingh blijft deze route bespaard. Hij behoort tot de gelukkigen die zich voor de ‘echte’ vliegopleiding mogen opmaken.

Training in Canada

Die vindt grotendeels in Canada plaats. Vanwege de precaire oorlogssituatie, het drukke Britse luchtruim en de vaak minder goede weersomstandigheden in Engeland, zijn aan het begin van de oorlog de meeste RAF-vliegscholen naar Canada verplaatst. Via een groot doorgangsdepot in Manchester vertrekt Roesssingh daarom in juni 1942 vanuit Greenock in Schotland aan boord van USAT Thomas H. Barry, een Amerikaans troepentransportschip, naar Noord-Amerika. Het schip meert na een zeereis zonder incidenten aan in New York. Tijd voor sightseeing is er echter niet: de groep stapt gelijk op de trein. Na een lange reis belanden zij in een depot in Moncton in de Canadese provincie New Brunswick. “Dit kamp was weer een soort wachtkamer waar we 14 dagen gezeten hebben”, aldus een van Roessinghs medereizigers, de latere Lancaster-piloot Jaap ’t Hart.

Na opnieuw een lange treinreis van vier dagen en drie nachten meldt de groep zich medio juli op vliegveld De Winton in de buurt van Calgary. Hier bevindt zich No. 31 Elementary Flying Training School waar het eerste gedeelte van de vliegopleiding zal plaatsvinden. Voor de vlieglessen wordt gebruikgemaakt van de Boeing Stearman, een robuuste tweedekker. De basisvliegopleiding op De Winton bestaat, behalve uit de dagelijkse portie theorie, in eerste instantie uit het aanleren van standaardmanoeuvres, zoals het starten en landen, het draaien van bochten en het overtrekken van het toestel.

Albert Roessingh op zijn bed in Canada

Nadat de leerling dit alles onder de knie heeft wordt de moeilijkheidsgraad opgevoerd. Hij gaat ook bij duisternis vliegen en leert zijn toestel besturen met behulp van (alleen) de instrumenten. De opleiding wordt eind september 1942 afgesloten met een vliegtest en een theoretisch examen. Op advies van de hoofdvlieginstructeur wordt de aspirant-vlieger daarna geplaatst op de voortgezette vliegopleiding voor eenmotorige of voor meermotorige toestellen. Ab Roessingh rolt zonder problemen door deze fase van de vliegopleiding en wordt samen met enkele anderen aangewezen voor het besturen van meermotorige toestellen.

Bezoek aan de VS

Voordat hij vertrekt naar vliegveld Medicine Hat voor de voortgezette vliegopleiding maken Ab Roessingh en vijf andere Nederlanders van de gelegenheid gebruik om een kort bezoek aan de Verenigde Staten te brengen. Aangekomen in het plaatsje Butte in Montana krijgt de plaatselijke pers al snel lucht van de aanwezigheid van de Nederlanders. De hiervoor genoemde Jaap ’t Hart en twee anderen worden zelfs gevraagd voor een interview met de lokale radiozender.

’t Hart daarover: “Bijna alle[maal] behalve ikzelf [’t Hart studeerde bij het uitbreken van de oorlog in Cambridge] waren Engelandvaarders en stuk voor stuk vertelden [zij] hun belevenissen. Aan ’t eind werd hen gevraagd hoe ik naar Engeland kwam. Zonder aarzelen en met een strak gezicht riepen ze uit dat ik ’t Kanaal was overgezwommen. En dat geloofden ze allemaal. ’t Kwam zelfs in de krant.” Over de terugreis hoeven de vijf zich overigens geen zorgen te maken. Een auto van de State Highway Patrol brengt hen helemaal terug naar Canada.

Verlof Albert Roessingh voor bezoek aan de VS 1942

Roessingh en zijn kompanen die zijn geselecteerd voor de training op meermotorige toestellen arriveren vervolgens eind september 1942 op vliegveld Medicine Hat. Hier bevindt zich No. 34 Service Flying Training School (SFTS). Het lesvliegtuig dat door deze vliegschool wordt gebruikt is de Airspeed Oxford, een tweemotorig houten toestel met een maximumsnelheid van rond de 300 kilometer per uur. Na ongeveer een maand wordt verhuisd naar Moose Jaw.

Tijdens de voortgezette vliegopleiding bij No. 32 SFTS, die tussen de twaalf en zestien weken in beslag neemt, wordt een dikke honderd uur gevlogen. Op 22 januari 1943 is het eindelijk zover: Roessingh en zijn cursusgenoten krijgen hun wings opgespeld. Ze zijn nu officieel in het bezit van het militaire vliegbrevet. Via ongeveer dezelfde route gaat het vervolgens weer terug naar Engeland. Na een kort verblijf in Moncton reizen ze met de trein naar New York waar ze aan boord gaan van de Queen Elizabeth, een groot en snel passagiersschip.

Terug in Engeland

Na een zeereis van zes dagen arriveren Roessingh en de andere Nederlanders terug in Groot-Brittannië. Via een ‘wachtkamer’ in Harrogate meldt de Engelandvaarder zich bij No. 3 (P) Advanced Flying Unit (AFU). Deze eenheid bevindt zich op vliegveld South Cerney in het district Cotswold.

Albert Roessingh in de bergen van Canada

Hier volgt hij een acclimatiseringscursus om te leren vliegen onder de veel minder stabiele Europese weersomstandigheden en in het verduisterde Britse luchtruim. Net als tijdens de voortgezette vliegopleiding in Canada wordt bij No. 3 AFU gevlogen op de Oxford. Roessingh slaat zich zonder problemen door de cursus.

Wat hierna nog volgt is de eigenlijke gevechtstraining en de conversie naar het vliegtuig waarmee wordt gevlogen bij de operationele eenheid. Omdat Roessingh is bestemd voor het Nederlandse 320 Squadron moet hij worden omgeschoold naar de B-25 Mitchell-bommenwerper. Hij wordt daarvoor geplaatst bij No. 13 Operational Training Unit (OTU) op het vliegveld Bicester. Ongeveer in dezelfde periode is de marine-eenheid druk met de overgang naar de Amerikaanse bommenwerper. In april worden de eerste exemplaren in ontvangst genomen. Ze vervangen de Lockheed Hudson waarmee sinds 1940 is geopereerd.

Na een periode van trainen en opwerken volgt op 12 juni 1943 de eerste operationele gevechtsvlucht van het squadron: een air sea rescue-missie boven de Noordzee waarbij gezocht wordt naar schipbreukelingen en oorlogsvliegers die met hun vliegtuig in zee terecht zijn gekomen. In de volgende weken volgen nog meer van dit soort relatief ongevaarlijke vliegopdrachten. Ze worden gebruikt om de ervaring met het nieuwe vliegtuig wat verder op te schroeven.

Bij 320 Squadron

Na de afronding van zijn gevechtstraining op Bicester komt de detachering van Ab Roessingh bij de Britse luchtmacht ten einde. Hij trekt het blauwe RAF-uniform uit en verwisselt het in de tweede helft van juli voor het Nederlandse marine-blauw. Vervolgens meldt hij zich medio juli bij het 320 Squadron op vliegveld Attlebridge. Nu kan hij eindelijk gaan doen waarvoor hij Nederland is ontvlucht: aan de zijde van de geallieerden aan de strijd tegen nazi-Duitsland deelnemen. Een lange carrière als oorlogsvlieger ligt echter niet voor hem in het verschiet. Op 28 juli vliegt reserve eerste luitenant-vlieger Ab Roessingh aan boord van de B-25 Mitchell met het serienummer FR144 zijn eerste gevechtsoperatie: een air sea rescue-missie. Er worden wat lege reddingsboten aangetroffen op zee, maar verder verloopt de vlucht zonder noemenswaardige incidenten. Twee dagen later, op vrijdag 30 juli 1943, is Roessingh een van de vijf inzittenden van opnieuw de Mitchell met het serienummer FR144. Aan boord bevinden zich verder officier-vlieger der tweede klasse W.J. Ritte, reserve eerste luitenant-vlieger E. van ’t Eind, korporaal-vliegtuigtelegrafist W.L. Blok en kok der tweede klasse C.P.J.M. van der Does. Laatstgenoemde is eveneens een Engelandvaarder. Met vijf andere bommenwerpers start het vliegtuig na de middag vanaf Attlebridge voor opnieuw een air sea rescue-missie boven de Noordzee. In een box-formatie van zes toestellen patrouilleren zij op lage hoogte boven zee. Wanneer de formatie omstreeks 15.15 uur een bocht draait gaat het gruwelijk mis. De FR144 glijdt af, raakt met een vleugeltip de golven en stort in zee. De inzittenden hebben geen schijn van kans om het vliegtuig te verlaten en zijn op slag dood.

De crash maakt grote indruk op de andere vliegtuigbemanningen in de formatie. Ab Roessinghs vriend Cees Waardenburg (ook een Engelandvaarder) kan het nauwelijks bevatten dat zijn kameraad, met wie hij de gehele vliegopleiding heeft doorlopen, er niet meer is. “Zo vliegen ze nog naast je. Nu is er niets dan wrakhout en niets meer van de mensen te zien. ’t Leven gaat snel en je wordt weer sterk herinnerd aan de kortheid en de betrekkelijkheid ervan. Ab is heengegaan, plotseling. Ik kan het niet geloven. Anderhalf jaar hebben we lief en leed gedeeld. (…) Alles hebben we samen doorleefd en plotseling is er iemand weg uit je leven, wat zo zeer nauw in vele opzichten met ’t zijne samenhing door de omstandigheden. Er is een leegte in je gekomen die je benauwd [sic]. (…) Ab ging ons voor in de dood. Wie weet hoe spoedig ik zal volgen.” Helaas zijn Waardenburgs voorgevoelens juist. De 23-jarige Schipluidenaar verongelukt ruim een jaar later, op 30 augustus 1944, kort na de start met een Mitchell bij het Britse plaatsje Goldalming.

De lichamen van Ab Roessingh en zijn kameraden worden nooit teruggevonden. Zij rusten nog steeds op de Noordzee. De bemanning wordt tegenwoordig herdacht op het Gedenkteken Luchtvarenden in Soesterberg.

Terug naar alle verhalen

Lees ook

Meer verhalen
Spectaculaire ontsnappingen Verhaal

Spectaculaire ontsnappingen

In zijn onderzoek naar de activiteiten van inlichtingen- en veiligheidsdiensten in Nederland tijdens en na de Tweede Wereldoorlog stuitte historicus Frans Kluiters in 1999 op pikante gegevens over...

26 maart 2026

Tulpen voor Wilhelmina Verhaal

Tulpen voor Wilhelmina

Mijn in 2004 verschenen proefschrift over Engelandvaarders draagt de titel “Tulpen voor Wilhelmina: de geschiedenis van de Engelandvaarders”.

26 maart 2026

Ontdek meer in het museum

Deze verhalen komen tot leven in Noordwijk. Plan je bezoek en sta oog in oog met de geschiedenis van de Engelandvaarders.