Martijn Eickhoff, directeur van het NIOD, hield op 8 november tijdens de viering van het tienjarig bestaan van het museum in Sociëteit De Witte een lezing over “Engelandvaarders, anno 2025”. Een lezing waarin hij antwoord gaf op de vraag hoe de Engelandvaarder als inspirerend rolmodel voor de hedendaagse Nederlander en komende generaties bereikbaar kan blijven.
Engelandvaarders blijven fascineren, en iedere Engelandvaarder is uniek, zo realiseerde ik me tijdens de voorbereiding van deze lezing. Ik deel dat met u in het besef dat er geen duidelijke afgrenzende definitie is, en in de wetenschap dat het bekende aantal Engelandvaarders nog steeds groeit. Wat mij vooral fascineert zijn de vragen wat hen dreef en wat ze bereikten (of niet), hoe hun relatie met hun familie eruitzag, wat hun sociale positie was, hoe ze als groep of individu terugkeken op hun Engelandvaart, wat het beeld is dat we nu van hen hebben, en hoe zich dat beeld heeft ontwikkeld door de tijd. De vraag wat Engelandvaarders voor mensen waren, is daarmee direct gerelateerd aan twee belangrijke kwesties die nu spelen: de toekomst van het herdenken van de Tweede Wereldoorlog en de status van heldendom anno 2025.
Deze kwesties kwamen ook terug in het voorgesprek dat ik voerde met het bestuur van het museum Engelandvaarders. Er werd mij toen verzocht in te gaan op de vraag hoe je de verhalen van Engelandvaarders anno 2025, 80 jaar na het einde van de oorlog, tot een bron van inspiratie kunt maken, zo ook op de daaraan gerelateerde vraag: ‘wat zou jij doen?’. Deze laatste vraag wordt in het museum Engelandvaarders ook expliciet aan de bezoekers gesteld. Het verzoek van het bestuur staat niet op zichzelf. Als directeur NIOD is mij het afgelopen jaar herhaaldelijk gevraagd hoe we de lessen van de Tweede Wereldoorlog impactvol kunnen blijven uitdragen, juist in een tijd die door velen wordt ervaren als ‘de jaren dertig’ van de 21e eeuw.

Voordat ik daar verder op in ga, wil ik een belangrijk inzicht uit onderzoek naar herinnering, memory studies, met u delen, en dat is het verschil tussen culturele herinnering en gecommuniceerde herinnering. Culturele herinnering staat voor het officiële verhaal, verteld in nationale geschiedenissen en musea, verbeeld in documentaires en films, en bewaard in archieven. Als het gaat om Engelandvaarders ligt de nadruk op het heroïsche en het verenigd zijn in de inspiratie door ‘God, Oranje, Vaderland’. Daarnaast bestaat er de communicatieve herinnering, zoals die in familiekring en persoonlijke relaties is overgedragen. U bent tegen die achtergrond een bijzonder publiek. Ik wil niet generaliseren, maar u kent vast en zeker de culturele herinnering, terwijl u ook bent opgegroeid met verhalen uit eigen kring, met taboes en stiltes, en u hebt de emoties gevoeld die daarbij horen. Dat maakt u tot een groep die als geen ander de dilemma’s en complexiteiten van verzet kent, uit tweede of wellicht derde hand.
In 2010 schreef ik samen met collega Remco Ensel het artikel ‘Soldaat van Oranje’ en constateerde daarin dat de biografie van Erik Hazelhoff Roelfzema bij uitstek een voorbeeld is van een zingevend verhaal over het nationale oorlogsverleden, gedragen door publicaties, film en musical. We benoemden ook dat het begrip ‘Soldaat van Oranje’, geïntroduceerd in 1971 bij de herdruk van de autobiografie van Hazelhoff Roelfzema, een uiting is van de democratisering van heldendom. Dit proces is al in de 19e eeuw begonnen, toen langzaam maar zeker niet alleen officieren maar ook soldaten een plek kregen in heroïsche geschiedschrijving en herdenkingen. Als ‘Soldaten van Oranje’ konden in de Tweede Wereldoorlog nu ook individuele burgers in naam van het koningshuis de vijand bestrijden.
Het gecanoniseerde verhaal van Soldaat van Oranje paste bij uitstek bij het zelfbeeld van Nederland als verzetsnatie dat direct na de oorlog in de geschiedschrijving en de herinneringscultuur centraal stond. Het was daardoor zeer impactvol, ook al botste het met afwijkende ervaringen binnen de groep Engelandvaarders. Bestonden er daar niet ook andere, misschien wel complexere motieven om in verzet te komen? En konden de Engelandvaarders, als uiterst kleine minderheid, wel als norm gelden voor de rest van de bevolking van Nederland?
Loe de Jong, de eerste directeur van het NIOD, toen RIOD geheten, was een van de belangrijke architecten van het grote zingevende verhaal over de Tweede Wereldoorlog. Hij schreef een geschiedenis waarin goed en fout als morele gedragscategorieën leidend waren, en was ook de eerste die een uitgebreide, op historisch onderzoek gebaseerde geschiedenis van Engelandvaarders samenstelde. In deel 9 van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog (1979) wijdt De Jong zo’n 125 pagina’s aan hun lotgevallen, terwijl het onderwerp in alle delen op meer dan 200 pagina’s aan de orde komt. De Jong veronderstelt dat alle Engelandvaarders eenzelfde mentaliteit hadden. Hij stelt ze voor als een groep ondernemende en recalcitrante mensen, die eenmaal beland in de gezapige Nederlandse gemeenschap in Londen, van mening waren dat men in daar weinig begreep van wat leven onder de Duits bezetting inhield. Het ligt voor de hand dat De Jong zich bij zijn bespiegelingen niet alleen door objectief historisch onderzoek heeft laten leiden; hij woonde en werkte gedurende de oorlogsjaren in Londen, zat dicht bij het vuur en zal zich uit eigen waarneming een oordeel hebben gevormd over Engelandvaarders en hun verhouding tot de Nederlandse bureaucratie.
De fascinatie van De Jong voor Engelandvaarders komt bij uitstek naar voren in het filmscript ‘Geheim agent’ dat hij in 1966 tijdens zijn vakantie in de Dordogne schreef. Het bevatte een reconstructie van het leven en de dood van de eerste geheime agent van de regering te Londen: de luitenant-ter-zee eerste klasse Lodewijk van Hamel. Een boeiend verhaal, aldus De Jong zelf, maar de filmproducent stond er met aarzeling tegenover, en tot een verfilming kwam het eindelijk niet. In het script was echter van verzets-bravoure geen sprake: in ‘Geheim agent’ stond onbaatzuchtige menselijke solidariteit van doorsnee Nederlanders centraal, mensen die hun leven voor anderen in de waagschaal hadden gesteld en daarmee van een voorbeeld-gevende betekenis voor de Nederlandse bevolking waren geweest.
Toen in 2015 uit uw midden het initiatief kwam tot de oprichting van het museum Engelandvaarders, was de status van Nederland als ‘verzetsnatie’ al flink bijgesteld. Dat proces was begonnen in de jaren 1960, toen de betrokkenheid van de Nederlandse samenleving bij de Holocaust steeds explicieter in beeld kwam. Dat er door een pro-Duitse groep Nederlanders actief gecollaboreerd was stond nooit ter discussie, maar het werd steeds duidelijker dat er daarnaast niet alleen sprake was geweest van collectieve tegenwerking of verzet, maar ook van aanpassing, lijdzaamheid, en zelfs onverschilligheid en wegkijken.
Aan het begin van de 21e eeuw werd er vervolgens onder verwijzing naar een zogenoemd ‘Grijs Verleden’ met betrekking tot de bezettingsjaren een discussie gevoerd over de vraag of de betrokkenheid van mensen bij verzet of collaboratie wel altijd een bewuste keuze was geweest. Waren toevalligheden en omgevingsfactoren niet veel belangrijker geweest voor de verhouding van de Nederlands met de bezettingsmacht? Hadden de meeste mensen in de bezettingsjaren niet gewoon doorgemodderd, zonder dat daarbij veel ruimte was voor principes? Het deed Arnon Grunberg verzuchten dat als de ontmaskering van heldendom een gemeenplaats wordt, dat ook kan betekenen dat in het heden wegkijken ‘moreel ondersteund’ wordt.
Dit versplinterde beeld maakt een verkenning van de toekomst van het herinneren en herdenken tot een lastige opgave. De Tweede Wereldoorlog is geen ‘voltooid verleden tijd’ en blijft ons bezighouden, verenigen en verdelen. De angst voor vergeten, of het nu gaat om leed, heldhaftigheid of falen, is niet nieuw in Nederland: vanaf 1945 is dat een constante zorg geweest. Maar momenteel, anno 2025, maken we ook mee dat de afstand tot de Tweede Wereldoorlog toeneemt: letterlijk in tijd en vanwege het uitsterven van getuigen, maar ook door genocidaal geweld en oorlogen in de wereld van vandaag die onze aandacht eisen. Tegelijkertijd is waarneembaar dat er in de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog meer ruimte is voor individuele verhalen, waarbij ook tegengeluiden en verhalen van minderheden worden geïncorporeerd. Actuele maatschappelijke en politieke ontwikkelingen jagen die ontwikkeling aan, of het nu gaat om de Black Life Matters of MeToo bewegingen, het opkomende antisemitisme, de kritiek op het democratische bestel of de internationale rechtsorde, of het verband tussen sociale media en polarisatie.
Inzicht in al deze deels tegenstrijdige ontwikkelingen in de culturele herinnering aan de Tweede Wereldoorlog in Nederland, maakte dat het bezoek dat ik oktober 2025 bracht aan het museum Engelandvaarders uiterst interessant was. De bunker is een zeer effectieve museumruimte: het creëert een zekere beklemming en roept de sfeer op van een tijdcapsule waarin de verhalen van Engelandvaarders goed tot hun recht komen. Het museum biedt geen ruimte aan nostalgie of romantisering, en doet zo recht aan het gevaar dat de individuele Engelandvaarders liepen en het leed dat is geleden. Evenmin is er plek voor één in steen gebeiteld heroïsch en nationalistisch verhaal. Terwijl heldendom en vaderlandsliefde wel aan bod komen, wordt er geen homogeen beeld van de groep geschetst. Daarentegen is er ruimte voor meerstemmigheid en diversiteit (denk aan vrouwen, joden en achterblijvers, zo ook aan uiteenlopende motivaties, routes en ervaringen). De aanwezigheid van persoonlijke voorwerpen, originele documenten, objecten en foto’s, zijn in deze context cruciaal.
In de tijd dat Nederland zichzelf primair zag als een verzetsnatie fungeerden de Engelandvaarders uiteindelijk vooral als een vooruitgeschoven groep. Na 80 jaar historisch onderzoek is echter duidelijk geworden dat het Duitse bezettingsbeleid veel effectiever was dan men lang heeft willen zien of erkennen. De inzet van de Nederlandse economie voor Duitse oorlogsdoelen en de vervolging van Joden, en Roma en Sinti, waren vanuit Duits perspectief een succes. En ook de ‘gelijkschakeling’ van Nederland, het reorganiseren van de samenleving op basis van nazistische principes, verliep relatief soepel. Ondersteund door propaganda en cultuurpolitiek kreeg de arisering van de Nederlandse maatschappij vorm, werd het leiderschapsbeginsel ingevoerd, terwijl ambtenarij en bedrijfsleven doorgaans zonder noemenswaardige problemen doorwerkten.
Dit besef maakt de individuele verhalen van de Engelandvaarders extra relevant. Of het nu om ‘toeval’ gaat of principes, of een mix daarvan, hun engagement was niet de norm voor de rest van Nederland. Hoe meer we weten van de menselijke complexiteit achter de heldenstatus, welke risico’s zij namen en waarom ze zich onttrokken zich aan de structuren van hun vaste sociale leven, hoe beter we begrijpen waarom sommigen in bepaalde situaties welbegrepen algemeen belang boven eigen belang stelden. De verhalen worden dan wellicht minder normatief, maar wel boeiender, en ook impactvoller. Door de Engelandvaarders namelijk niet over één kam te scheren, hen niet op een voetstuk te plaatsen en zo menselijker te maken, zet de democratisering van het heldendom door. Alleen zo blijft de Engelandvaarder als inspirerend rolmodel bereikbaar voor de hedendaagse Nederlander en komende generaties.