Geen genade voor helpers

Geen genade voor helpers

Door Jos Teunissen

De eerste Nederlander die werd gestraft voor (vermeende) hulp aan Engelandvaarders was de Scheveningse pensionhouder Jan Veraar. De Duitse rechtbank was onverbiddelijk.

De 36-jarige Johannes Cornelis Veraar runt in 1939 zonder veel succes een pension aan de Gevers Deynootweg 38 in Scheveningen. Om zijn inkomen aan te vullen handelt hij ook in auto’s. Ook heeft hij in het pand een klein restaurant. Hij schenkt er koffie en een borrel, onder anderen aan Nederlandse militairen die bij de mitrailleursnesten langs het strand bij Scheveningen hun dienst vervullen.

Waarschijnlijk ergens in juni 1940 wordt Veraar gearresteerd. Hij zou eind mei 1940, enkele weken na de overgave van het Nederlandse leger, hebben geprobeerd ‘militairen te vinden die bereid zijn tot vertrek naar Engeland om in het Britse leger dienst te nemen’, aldus dagblad Het Vaderland, dat van de zaak tegen hem verslag doet.

Veraar wordt aangeklaagd op grond van art. 91 sub 1, van het Duitse Strafwetboek, dat luidt: ‘Wie in het binnenland of als Duitser in het buitenland poogt tijdens een oorlog tegen het Rijk of met betrekking tot een dreigende oorlog aan de vijandelijke macht bijstand te verlenen of aan de krijgsmacht van het Rijk of van ’s Rijks bondgenoten nadeel toe te brengen, wordt met de dood of met levenslange tuchthuisstraf gestraft.’ Het artikel bevat een verzachtende clausule: ‘Indien de daad slechts een onbelangrijk nadeel voor het Rijk en zijn bondgenoten en slechts een onbelangrijk voordeel voor de vijandelijke krijgsmacht heeft opgeleverd en zij ook geen ernstige gevolgen zou kunnen veroorzaken, dan kan met tuchthuisstraf, doch niet minder dan twee jaar, worden volstaan.’ Volgens art. 161 van de Duitse militaire strafwet geldt art. 91 ook voor niet-Duitsers in door Duitsland bezet gebied.

De zaak tegen Veraar dient op 10 juli 1940 bij het Feldkriegsgericht Luftgau Holland in Amsterdam. Getuigen zijn de Scheveningse ex-militair J.B. Ton (51), die verderop in de Gevers Deynootweg eveneens een pension houdt, en de 49-jarige Hagenaar C. van der Maden, die de actie van Veraar bij de militaire politie heeft gemeld. De Amsterdamse advocaat (en later bekend geworden dichter) mr. François Pauwels verdedigt Veraar.

jan veraar

Advocaat Pauwels

‘Gekke mensen die naar Engeland willen’

Veraar vertelt de rechtbank dat hij op de Engelse radio had gehoord dat het ‘koningshuis’ Nederlandse militairen heeft opgeroepen zich in Engeland te melden voor het voortzetten van de strijd tegen de Duitse bezetter. Hij heeft de ex-militair Ton benaderd met de vraag of hij mensen kent die met dit doel naar Engeland zouden willen. Ton zou hem hebben geantwoord dat hij misschien wel zulke militairen kent, ‘doch hoe moeten zij er komen?’ Veraar zou hebben geopperd dat dit wellicht per schip kan. Zelf kende hij ‘iemand die door dik en dun naar Engeland wenst te gaan om in het leger daar te lande dienst te nemen.’ Op de Amerikaanse ambassade (‘legatie’) in Den Haag had hij vernomen ‘dat men wel een schip ter beschikking kon stellen indien er voldoende deelnemers waren.’

Ton verklaart dat hij Veraars idee heeft besproken met Van der Maden, die logistiek officier bij de Nederlandse infanterie is geweest. Beiden zouden tot de conclusie zijn gekomen dat er ‘geen liefhebbers te vinden waren’. Ton zou dit aan Veraar hebben overgebracht. ‘Daarna hebben we er niet meer over gesproken’, aldus Ton.

Veraar verdedigt zich door te stellen dat hij Ton en Van der Maden had laten weten ‘niet te geloven dat er nog zulke gekke mensen zijn die naar Engeland wensen te gaan.’ Maar Ton en Van der Maden ontkennen dat. Ton: ‘Indien hij dat gezegd had, zou ik het verzoek van Veraar niet aan Van der Maden hebben doorgegeven. Ik had tot Veraar gezegd er niets voor te voelen, maar wel te weten dat er soldaten waren die tegen Duitsland wilden vechten. Dat was toen vrij logisch, maar thans is alles geheel anders.’

Van der Maden op zijn beurt vertelt de rechtbank dat Ton hem had gevraagd of hij bij ‘de compagnie’ mensen weet die bereid zijn ‘per schip naar Engeland te gaan om tegen Duitsland te vechten.’ Hij had Ton geantwoord dat hij dit ‘bij enige militairen wier gezindheid hij voldoende kende’ ter sprake zou brengen en wilde van Ton weten ‘bij wie de mensen zich konden aanmelden’; Ton zou toen de naam en het adres van Veraar hebben genoemd.’ Van der Maden voelde dat ‘daarmee een misgreep tegenover de overwinnaar zou worden gedaan en dat dit gevaarlijk voor onze Nederlandse soldaten zou zijn.’ Vervolgens heeft hij de zaak bij de marechaussee gemeld. Ook zou hij Nederlandse militairen hebben gewaarschuwd niet op een dergelijke oproep te reageren.

‘Met ijzeren kracht’

De Duitse aanklager vindt de tenlastelegging voldoende bewezen. Hij wil bij de strafmeting wel rekening houden met het feit dat Veraar geen strafblad heeft. Maar hij vindt ook dat zijn optreden ‘wordt verzwaard door de omstandigheid dat hij met anderen over dienstneming in het Engelse leger heeft gesproken, in een tijd toen Nederland door Duitsland was bezet, welke dienstneming zou hebben betekend dat de strijd tegen Duitsland zou worden aangegaan. Op zulk een feit staat de doodstraf. Wij kunnen ons niet indenken dat Nederlandse soldaten, die door de grootheid van de Führer vrij mogen lopen waar zij willen, ervoor te vinden zouden zijn de strijd tegen het Duitse leger weder te willen opnemen. In ieder geval moeten eventuele pogingen daartoe met ijzeren kracht worden tegengegaan.’

Omdat het vergrijp van Veraar niet tot ernstig nadeel voor het Duitse leger heeft geleid en ‘geen enkele Nederlandse soldaat voor het plan gevonden werd’, wordt tegen Veraar niet de doodstraf geëist, maar acht jaar tuchthuis.

Verdediger Pauwels stelt dat het bewijs ‘ontoereikend’ is. Bovendien heeft getuige Van der Maden nooit zelf met Veraar gesproken en heeft Ton de zaak voor hemzelf zo gunstig mogelijk voorgesteld. Ten derde zou het plan van Veraar niet serieus moeten worden genomen omdat het op fantasie was gebaseerd. ’Is dit niet eerder een geval van opschepperij van iemand die gebukt ging onder de grote nervositeit waaronder verdachte na de inval leefde?’

Nadat Veraar in een laatste woord heeft gezegd dat hij een ‘gebroken en berouwvol’ man is, begeeft de krijgsraad zich naar de raadkamer.

jan veraar

Op 11 juli 1940 bericht de krant Het Vaderland over de zaak tegen Veraar

Drie kwartier later wordt zitting heropend. De president van de rechtbank acht zowel Veraar als Ton schuldig. Het gepleegde feit behoort volgens hem zodanig te worden bestraft, dat er een afschrikwekkend werking van uitgaat. Veraar wordt veroordeeld tot vijf jaar tuchthuis. Tot 14 februari 1945 zit hij vast in enkele tuchthuizen in Duitsland. Hij overlijdt op 15 februari 1959 op 54-jarige leeftijd in Leiden. Welke straf Ton heeft gekregen is niet bekend. Van der Maden, die Veraar bij de politie heeft aangegeven, is daar blijkbaar nooit voor gestraft; het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) bevat geen dossier over hem.

De zaak tegen Veraar laat eens te meer zien hoe riskant het was om alleen al te praten over de mogelijkheid naar Engeland te gaan en dat helpers hetzelfde lot wachtte als Engelandvaarders als ze werden gepakt. Ook voor hen gold dat ze niet op genade hoefden te rekenen.

Terug naar alle verhalen

Lees ook

Meer verhalen
Spectaculaire ontsnappingen Verhaal

Spectaculaire ontsnappingen

In zijn onderzoek naar de activiteiten van inlichtingen- en veiligheidsdiensten in Nederland tijdens en na de Tweede Wereldoorlog stuitte historicus Frans Kluiters in 1999 op pikante gegevens over...

26 maart 2026

Tulpen voor Wilhelmina Verhaal

Tulpen voor Wilhelmina

Mijn in 2004 verschenen proefschrift over Engelandvaarders draagt de titel “Tulpen voor Wilhelmina: de geschiedenis van de Engelandvaarders”.

26 maart 2026

Ontdek meer in het museum

Deze verhalen komen tot leven in Noordwijk. Plan je bezoek en sta oog in oog met de geschiedenis van de Engelandvaarders.