Door Maurits Huijbrechtse
In dit laatste deel van de reeks over Herman Friedhoff staat zijn Engelandvaart en het vervolg van zijn oorlog centraal. De eerdere delen verschenen in december 2024 en maart 2025.
Een aantal jaar geleden trof ik Falco Friedhoff toevallig bij het afscheid van de Catalina, het watervliegtuig, dat na jarenlange trouwe dienst vanaf Lelystad Airport vertrok richting de Verenigde Staten. Falco heeft een grote voorliefde voor oude techniek en was de huisfilmer van de stichting die de Catalina in de lucht hield. Door een toeval kwamen we te praten over de oorlogsgeschiedenis van Falco’s vader: Herman Friedhoff.
Falco is altijd gefascineerd geweest door die geschiedenis van zijn vader. Hij voelde al op jonge leeftijd aan dat er grote emoties mee verbonden waren die meestal onder de oppervlakte bleven. Als kleine jongen speelde hij soldaatje in de duinen bij Den Haag en Scheveningen tussen de nog verse sporen van de oorlog en in de bunkers die toen nog niet opgeruimd waren. Hij spitste altijd de oren als er over de oorlog gesproken werd. Voor een gekostumeerd schoolfeest trok hij het uniform van zijn vader aan en werd prompt op straat aangehouden en naar zijn papieren gevraagd.
Veel later hielp hij zijn vader bij het schrijven van een boek over diens oorlogservaringen. In het Engels, want het was bedoeld om de Engelsen die geen besef hebben van wat het is om bezet te zijn, een beeld te schetsen van die tijd. Hij vertaalde het ook naar het Nederlands: Requiem voor het Verzet.
Een zwervend bestaan
Na zijn ontsnapping uit de ouderlijke woning in augustus 1942 begon voor Herman Friedhoff een zwervend bestaan. Hij wist via het raam van zijn kamer te ontkomen toen de Gestapo aanbelde. Zijn vriendin Ellis Brandon wist zich uit een netelige situatie te redden door zich dom te houden tegenover de Duitsers en vluchtte naar haar vaders huis, waar ze enkele dagen later opnieuw wist te misleiden. Friedhoff hield zich aanvankelijk schuil bij een buurman tot het directe gevaar geweken was en week toen uit naar een verzetsvriend in Bloemendaal. Daar voegde Brandon zich bij hem. In de maanden die volgden verbleef het paar op talloze onderduikadressen in onder meer het Gooi, Rotterdam en Amsterdam.
Hun laatste adres in Nederland was bij de familie van KLM-piloot Viruly in Amsterdam-Zuid. Friedhoff bereidde hun ontsnapping uit bezet gebied nauwgezet voor. Hij had al eerder pogingen ondernomen en anderen geholpen bij hun tocht richting Frankrijk, wat hem waardevolle contacten had opgeleverd. De nacht voor hun vertrek stortte een Britse bommenwerper neer op het Carlton Hotel in Amsterdam, wat zorgde voor chaos in de stad en hun vertrek vergemakkelijkte. Bij Valkenswaard ontmoetten zij een bevriende marechaussee die hen hielp de grens over te steken.
Naar Engeland
In Brussel vonden ze onderdak bij Petronella Van Gellicum-Kamps, een Nederlandse weduwe die haar huis openstelde voor Engelandvaarders en geallieerde vliegers. Daarna verbleven ze wekenlang in Frankrijk bij Paul en Angelique, in een klein arbeidershuis waar ze samenwoonden met Britse soldaten. Het leven daar was sober, maar gestructureerd. Friedhoff en Brandon leerden zich aanpassen, zowel cultureel als praktisch. Met behulp van MI-9 en lokale gidsen reisden ze door naar Parijs, samen met drie Britse vliegers en een Belgische onderduiker. Om arrestatie te voorkomen reisden ze in tweetallen en gebruikten ze valse Franse identiteitspapieren.
In Parijs stapten ze over op een sneltrein naar Bordeaux. De treinreis werd steeds gevaarlijker naarmate ze dieper de zone interdite binnengingen. De nazi’s controleerden er grondig de papieren van passagiers. In Saubusse werden hun metgezellen, de Britse en Belgische onderduikers, gearresteerd. Friedhoff en Brandon zagen het gebeuren en besloten in allerijl de trein te verlaten. Ze trokken verder te voet naar Saint-Jean-de-Luz. Tijdens de tocht wisten ze met slimheid en lef een confrontatie met Luftwaffe-soldaten te ontwijken. Op een gegeven moment liepen ze urenlang door de bergen, soms in het donker, soms in de brandende zon, onder begeleiding van een Baskische passeur. Na een lange tocht bereikten ze uiteindelijk de grensrivier die hen van Spanje scheidde.
In het neutrale Spanje werden ze geholpen door het Britse consulaat in San Sebastián en reisden ze door naar Madrid. Via een ver familielid van Brandon bij de ambassade kregen ze ondersteuning. Jongemannen kregen geld voor kleding, al verdween dat soms in de kroeg. Brandon werd door de ambassade gevraagd toezicht te houden op gevluchte landgenoten, omdat sommigen geneigd waren tafelzilver te stelen bij officiële diners. Vanuit Madrid reisden ze verder naar Portugal, waar ze tijdelijk verbleven in een vakantiehuis in Praia-da-Maçãs, in afwachting van transport naar Engeland. Friedhoff vertrok per schip naar Gibraltar, Brandon moest wachten op een vliegtuig. Op 7 november 1943 bereikte Friedhoff Engeland.
Bij de Prinses Irene Brigade
Eenmaal aangekomen vond hij aanvankelijk onderdak op het ministerie van Buitenlandse Zaken, waar hij ging werken voor minister van Buitenlandse Zaken Van Kleffens. Daar werd nagedacht over de toekomst van Europa na de oorlog. In de intellectuele en idealistische omgeving van het ministerie voelde Friedhoff zich op zijn plaats. Maar ondanks zijn werk bleef hij formeel dienstplichtig. Die status haalde hem in: hij werd opgeroepen zich aan te melden bij de Prinses Irene Brigade, de Nederlandse strijdmacht in ballingschap. Zelf vond hij dat hij op het ministerie beter tot zijn recht kwam en probeerde zich te beroepen op gewetensbezwaren , maar de plicht riep onverbiddelijk, en op 13 maart 1944 werd hij officieel in militaire dienst genomen.
Friedhoff werd opgeleid tot chauffeur, eerst op brenguncarriers en later op de amfibische tank Buffalo. Op 8 augustus 1944 landde hij met de brigade in Normandië. In de eerste week van de operatie vochten de Nederlandse troepen zware gevechten uit. Daarna was de Prinses Irene Brigade actief bij de bevrijding van het zuiden van Nederland, waarbij ook Friedhoff betrokken was. Hij bleef soldaat tegen wil en dank. De bevrijdingsfeesten miste hij omdat hij na een veroordeling voor de krijgsraad wegens ongeoorloofde afwezigheid vastzat.
Na de oorlog
Na de oorlog had Friedhoff de ambitie om zich verder te ontwikkelen op het terrein van internationale betrekkingen. Die wens bleef echter onvervuld. Hij deed na de oorlog wel pogingen om bijvoorbeeld zijn oplossing voor de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog aan de man te brengen middels een lange brief aan koningin Juliana. In plaats daarvan vond hij werk bij de gerenommeerde uitgeverij Tjeenk Willink. Waarschijnlijk dankte hij die positie aan zijn connecties uit het verzet, waarin ook leden van de uitgeversfamilie een rol hadden gespeeld. Via deze weg bouwde hij een carrière op als uitgever.
De liefde voor Ellis ging over. In 1947 trouwde hij met Riemke Aten, zijn vroegere buurmeisje. Samen kregen ze vier zoons: Falco (1948), Dennis (1951), Sander (1954–1989) en Gijsbert (1961–1992). In
1968 liep het huwelijk op de klippen. Friedhoff vertrok naar Engeland en hertrouwde daar in 1969 met Polly Davidson. Met haar kreeg hij nog twee zoons: Andrew en Jolyan. Herman Friedhoff stierf op de dag waarop de Engelsen hun doden herdenken: 11 november 2000. Terwijl hij in Engeland woonde kwam hij in contact met mede-Engelandvaarder Jan Wackwitz (1921-1998) en was vanuit Engeland actief lid van het Genootschap Engelandvaarders.
Het is soms wonderlijk waar een toevallige ontmoeting toe kan leiden.
De bronnen voor deze serie zijn de verslagen van de verhoren met Brandon, Friedhoff en verschillende anderen die hen tijdens eerdere pogingen zijn gekruist, opgeborgen in het Nationaal Archief, en de reconstructie die journalist Carlijn Vis maakte van de Engelandvaart van haar grootmoeder Ellis Brandon voor NRC.

Ellis Brandon
[
Herman Friedhoff - deel 1
](/verhalen/herman-friedhoff)
[
Herman Friedhoff - deel 2
](/verhalen/herman-friedhoff-2)
[
Ellis Brandon
](/verhalen/engelandvaarder-ellis-brandon-100-jaar)