Deel 1: Berlijn, Breda en Amsterdam
Door Maurits Huijbrechtse en Frans Jansen
Een toevallige ontmoeting in Museum Engelandvaarders bracht ons in contact met Marianne Spangenberg-Carlier. Marianne was op zoek naar antwoorden over het oorlogsverleden van haar vader: Gerard Antoine Jan Carlier. In dit eerste deel staat het leven van Carlier vóór zijn Engelandvaart centraal
Olympiade 1936
Het oorlogsverhaal van de in Nederlands-Indië geboren Gerard Carlier begon op de atletiekbaan in Berlijn tijdens de Olympische Spelen van 1936. Gerard kwam als lid van de Amsterdamse vereniging AV’23 uit op zijn favoriete atletiekonderdeel hoogspringen en sprong toen met 1 meter 80 zijn persoonlijk record. Carlier kwam ondanks dat niet verder dan de kwalificatieronde van de olympiade. De Nazi’s bouwde de olympiade uit tot een propagandashow die aan de wereld moest tonen hoe het ‘Nieuwe Duitsland’ zich sinds 1933 ontwikkelde. In het bewaard gebleven (sport)archief van vóór de oorlog is weinig politiek te bemerken. Het getuigt vooral van een jongeman die opging in zijn sport. De krantenknipsels die hij bewaarde doen ronkend verslag over de triomfen van de later berucht geworden collaborateur hardloper Tinus Osendarp. Ook de Amerikaanse atleet Jesse Owens komt voorbij in de knipsels.
Jonker in Breda
Terwijl de oorlogswolken boven Europa zich steeds verder samenpakten, meldde Carlier zich op 15 september 1938 op het Kasteel van Breda om aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) te worden opgeleid tot infanterieofficier in het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Met deze carrièrekeuze lag het vast dat Carlier terug zou gaan naar zijn geboortegrond in toenmalig Nederlands-Indië. Het bestaan als KNIL-officier had niet de eerste voorkeur van Carlier. Hij heeft bij verschillende instanties navraag gedaan om vlieger te worden. Hij stortte zich toch vol overgave op de voorbereidingen. Hij volgde een voorbereidende cursus om door de strenge keuring heen te komen.

Gerard Carlier
Binnen de poorten van de KMA werd de jonge cadet ingewijd in het cadettencorps in een ontgroening die in alles leek op de ontgroeningen bij een studentenvereniging. Carlier zal zich goed door de beproevingen heen hebben gewerkt. Ook op de academie ging een groot deel van zijn spaarzame vrije tijd op aan zijn sport, de atletiek. In 1939 nam Carlier met de KMA-cadetten deel aan de Nijmeegse Vierdaagse. Bij dit wandelevenement waren in dat jaar ook groepen uit Nazi-Duitsland vertegenwoordigd. Het is de vraag hoe Carlier en zijn collega’s tegen deze Duitse deelnemers aankeken.

Gerard Carlier neemt deel aan Britse atletiekwedstrijd
Gerard Carlier springt over 1.85 m
De sfeer onder de cadetten ademde die van een eliteclub, de heren werd ingeprent dat ze hoorden tot de bovenlaag van de samenleving en zich ook als zodanig dienden te gedragen. Om de mannen naar dit ideaal te vormen moest hard gestudeerd worden, zo bewijst de agenda van Carlier uit die dagen. In alle eerlijkheid is het de vraag hoeveel Carlier uiteindelijk in het veld gehad heeft aan zijn opleiding aan de KMA. In het Mastbos vlak buiten het KMA-terrein werd wel geoefend met het optreden in ‘De Oost’ in een nagebouwde kampong. Op de KMA was sport een belangrijk bindmiddel, tijdens zijn academietijd kon Carlier dus naar hartenlust blijven sporten.
Op 1 september 1939 viel Nazi-Duitsland Polen binnen. Twee dagen eerder was Nederland overgegaan op een algemene mobilisatie van de krijgsmacht om haar neutraliteit te verdedigen. In reactie daarop werden de cadetten op 26 augustus 1939 richting eenheden van de Koninklijke Landmacht gedirigeerd. Carlier werd ingedeeld bij een depotbataljon in Hoorn, waar hij diende tot oktober 1939. Daarna keerde hij terug naar Breda om zijn studie voort te zetten.
Uiteindelijk bereikte de oorlog Nederland op 10 mei 1940. Een dag eerder was de KMA van Breda overgebracht naar Haarlem, veiliger binnen de Vesting Holland. De cadetten werden ingezet om NSB’ers op te brengen en jacht te maken op Duitse parachutisten die in de omgeving van Haarlem zouden zijn geland. Het bleken geruchten zonder waarheid, de cadetten kwamen enkel onder eigen vuur te liggen.
Op 15 mei capituleerde Nederland. Een groepje cadetten probeerde na de capitulatie weg te komen naar Engeland. Dit werd hen verboden door Gustaaf van Lawick, de gouverneur van de KMA, die vond dat ze de Duitsers vooral correct tegemoet moesten treden. Een deel van de adelborsten, marineofficieren in opleiding, van de Marine lukte het wel om weg te komen naar Engeland.
Na twee weken in Haarlem gingen de overige cadetten per trein en fiets terug naar Breda. Onderweg zagen ze de nog nagloeiende verwoesting die Duitse vliegtuigen hadden aangericht in het centrum van Rotterdam.
Cadet in bezettingstijd
Na terugkomst in Breda werd het gesprek van de cadetten en de leerkrachten gedomineerd door de Erewoordverklaring die door de Duitsers van de Nederlandse militairen werd verwacht. De tekst van de verklaring die de cadetten met alle beroepsmilitairen op 14 juli 1940 kregen voorgelegd, luidde:
Hierdoor verzeker ik op erewoord dat ik gedurende dezen oorlog althans zolang Nederland zich met het Duitse Rijk in oorlogstoestand bevindt aan geen enkel front noch direct, noch indirect zal deelnemen aan den strijd tegen Duitsland. Ik zal geen handeling begaan of verzuim plegen waardoor het Duitse Rijk schade, van welke aard ook, zou kunnen lijden.
Carlier tekende de verklaring terwijl een aantal collega-cadetten en leerkrachten dat niet deden. Ze werden direct in krijgsgevangenschap gevoerd en zouden een deel van hun kameraden pas in 1942 terugzien.
Nu Carlier voorlopig vrij was moest hij zich gaan oriënteren op het burgerbestaan. Dit werd voor hem gemakkelijker gemaakt, omdat op de voormalige KMA voorbereidingscursussen voor een civiele opleiding werden gegeven. Carlier volgde zo’n cursus ter voorbereiding op zijn studie Wiskunde aan de Gemeentelijke Universiteit Amsterdam, de voorloper van de Universiteit van Amsterdam, die hij in november 1940 aanving.
Het studentenleven was al vroeg een kern van verzet. Carlier bedreef in eerste instantie in klein verband verzet door bijvoorbeeld foto’s van het koninklijk gezin die werden uitgeworpen door de Engelse luchtmacht, verder te distribueren onder studenten. Zijn medestanders werden door de Duitsers opgepakt en veroordeeld tot anderhalf jaar gevangenisstraf. Hierna raakte Carlier betrokken bij de distributie van het illegale blad Vrij Nederland (mogelijk via zijn collega-cadet en Engelandvaarder Jan Streef die tot de oprichters van Vrij Nederland hoorde).
Hij maakte van nabij mee dat veel zijn medestanders ten prooi vielen aan de Duitsers. In dit licht is de eerste poging van Carlier om weg te komen naar Engeland ook te plaatsen. Carlier, Ed Barten en Henk Peper trachtten op 17 januari 1942 vanaf het strand van Zandvoort over te steken naar Engeland. Er waren wachtposten uitgezet door familie en vrienden. De poging mislukte, waarna Carlier terugkeerde naar Amsterdam.
Niet lang daarna, op 15 maart 1942, kwamen de Duitsers huiszoeking doen op zijn studeerkamer, terwijl hij niet thuis was. Door zijn partner en latere vrouw Wilhelmina Jantina Waterberg werd hij gewaarschuwd dat de Duitsers hem thuis opwachtten, en zo van arrestatie gered.
Niet alleen Carlier kwam in verzet tegen de Duitse bezetting, veel officieren en cadetten deden dat ook, in tegenspraak met de verklaring op hun erewoord die zij aan de Duitsers hadden gegeven. Dit was voor de Duitsers vanzelfsprekend een doorn in het oog. Ze riepen daarom alle beroepsofficieren via krantenberichten op zich op 15 mei 1942 te melden voor controle. Dit hadden ze eerder ook al gedaan. Ditmaal deden ze de oproep met als doel hen in krijgsgevangenschap af te voeren.
Voor Carlier was het moeilijk om een keuze te maken. Hij wilde niet opnieuw bij de Duitsers in de gaten lopen en ging te rade bij een oudere marineofficier, Kooyman, die bij hem in de buurt woonde. Kooyman vertelde hem dat hij niets te vrezen had, omdat niet de Duitse politie maar de Wehrmacht verantwoordelijk was voor deze controle. Welke keuze Carlier toen maakte, leest u in het volgende deel.