Engelandvaarder Rie Knapper, adjudant van Wilhelmina, deel 2

Engelandvaarder Rie Knapper, adjudant van Wilhelmina, deel 2

Door Agnes Dessing

In de eerste aflevering van deze serie over Engelandvaarder Rie Knapper hebben we gezien hoe zij na een lange, gevaarlijke reis via Frankrijk, Zwitserland, Spanje, Curaçao en de VS op 20 november 1942 in Engeland was gearriveerd.

Toen zij nog vastzat in Zwitserland had zij zich op grond van haar ervaring als hulpverpleegster in het Burgerziekenhuis in Amsterdam per brief bij de Londense afdeling van het Nederlandse Rode Kruis aangeboden als verpleegster in een Brits ziekenhuis. Ze hoopte hiermee van de Nederlandse autoriteiten in Londen toestemming te krijgen om naar Engeland door te reizen. En, niet onbelangrijk, ze hoopte ook dat de Nederlandse regering in ballingschap haar reiskosten wilde voorschieten.

De voorzitter van het Nederlandse Rode Kruis, de heer van Lidth de Jeude, die later in 1942 tot Minister van Oorlog werd benoemd, was daar niet zonder slag of stoot toe bereid. Na een uitgebreide briefwisseling en veel gesteggel werd afgesproken dat Knapper een bescheiden voorschot kreeg, dat ze met het loon dat ze als verpleegster zou verdienen, zou terug betalen.(1)

Eenmaal in Londen, na de verhoren door de Engelse en Nederlandse veiligheidsdienst en na de eervolle theesessie bij koningin Wilhelmina, moest Rie Knapper dus haar “bestemming volgen”, zoals dat in ambtelijke taal wordt genoemd. Ze werd als hulp-leerling verpleegster geplaatst in het Militaire Hospitaal in Wolverhampton. Uit een ongedateerd verslag van Rie zelf was ze toen niet meer zo enthousiast over het verpleegsterplan, want ze schrijft:

‘Het kwam mij voor dat ik op ander gebied werk zou kunnen verrichten hetwelk meer in mijn lijn lag en waarbij ik beter gebruik zou kunnen maken van mijn opleiding en ervaring. Ik wist mij echter gebonden en besloot de drie proefmaanden in ieder geval uit te dienen.(2)

Maar dat liep anders dan gedacht. Na een week in het hospitaal gewerkt te hebben, moest Rie opgenomen worden wegens een griep-pneumonie. Ook leed zij aan buikklachten, waarvoor de artsen haar aanvankelijk wilden opereren. Dr. C.F Koch, Engelandvaarder en chirurg verbonden aan het Militaire Hospitaal, zei haar naar Londen terug te keren, waar dan zo nodig later nog de operatie kon plaatsvinden. Door dit alles dacht Rie dat ze fysiek ongeschikt werd geacht voor verpleegster, meldde zich weer in Londen en begon uit te kijken naar een nieuwe “bestemming”.

Ze kon natuurlijk een baan als secretaresse of typiste nemen bij een van de ministeries van de Nederlandse regering in Londen Maar daarvoor was Rie niet naar Engeland gekomen! Ze wilde iets doen, een wezenlijke bijdrage leveren aan de bevrijding van het bezette Nederland. En ze was niet de enige Nederlandse vrouw in Groot-Brittannië (Engelandvaarder of al voor 1940 wonend in Engeland) die er zo over dacht.

Vol jaloezie werd door deze Nederlandse vrouwen gekeken naar de situatie In Groot-Brittannië, waar sinds eind 1941 een dienstplicht voor vrouwen bestond. De Britse vrouwen konden vervolgens kiezen uit diverse militaire vrouwenkorpsen. Dat waren:

  • bij de Britse landmacht de ATS (Auxiliary Territorial Service)

  • bij de Britse marine de WRENS (Women’s Royal Naval Service)

  • bij de Britse luchtmacht de WAAFS (Women’s Auxiliary Airforce).

Meer en meer stemmen gingen op om een dienstplicht voor Nederlandse vrouwen in te stellen, niet alleen bij vrouwelijke Engelandvaarders, maar ook bij Nederlandse vrouwen in de VS, Suriname en de Nederlandse Antillen. Er was zelfs in de zomer van 1942 een Bond van Nederlandse vrouwen in Groot Brittannië opgericht, met als specifiek doel de totstandkoming van een vrouwen hulpkorps. In deze kringen vond men het militaire aspect niet zo belangrijk en dacht men meer aan een soort Rode Kruis hulpkorps.(3) Ook koningin Wilhelmina was erg VOOR een vrouwen hulpkorps. Zij had van jongs af aan al grote belangstelling voor militaire zaken.

Jhr. O.C.A. van Lidth de Jeude, minister van Oorlog, had goed naar al deze stemmen geluisterd. In februari 1943, net toen Rie Knapper vanuit Wolverhampton naar Londen was teruggekeerd, deed hij in de ministerraad een voorstel tot vrouwendienstplicht. Dit werd direct door de overige bewindslieden afgeschoten. Zij vreesden door deze maatregel al hun secretaresses en typisten te verliezen. Ook koningin Wilhelmina was niet zo blij. Van Lidth de Jeude schrijft in zijn oorlogsdagboek, dat ‘ Mevrouw’, zoals de koningin door de kabinetsleden werd genoemd, ‘dat Mevrouw blijkbaar zelf het plan had gehad de vrouwen om zich heen te verzamelen’.(4) Tenslotte verklaarde de Bond van Nederlands vrouwen in Groot-Brittannië dat zij liever een organisatie zag op basis van vrijwilligheid.

Daarop liet de minister van Oorlog het vrouwendienstplicht-plan varen en stuurde aan op een vrijwillig vrouwenhulpkorps. Een andere grote speler bij de totstandkoming van het Vrouwen Hulp Korps was de Londense afdeling van het Nederlandse Rode Kruis. Dat blijkt ook al uit het feit dat aspirant-leden twee contracten moesten tekenen: één militair contract en één Rode Kruis contract.

In dit verband moet ook de naam van één militair genoemd worden: kolonel (later generaal) H.J. Kruls, die in 1944 hoofd van het Militair Gezag werd, was een groot pleitbezorger van het VHK.

Rie Knapper

Oefening van het VHK, 1943. Rie Knapper zit rechts op de foto op de motorkap, links van de man met de pet

Hij heeft zich zó voor het VHK ingezet, dat hij de “vader” van het korps werd genoemd. Op 20 december 1943 was de kogel door de kerk en werd middels het Hulpkorpsenbesluit het VVHK Vrijwillig Vrouwen Hulpkorps (later kortweg VHK genoemd) opgericht. Doel was humanitaire hulpverlening in het Nederland van na de bevrijding. Het VHK kwam onder leiding van mevrouw Smit-Dyserinck.

Ergens in 1943 heeft Rie Knapper zich bij dit VHK-in-wording aangesloten. (5) Toen eind 1943 de oprichting een feit was kreeg Rie een staffunctie aangeboden. Omdat er ook in Suriname, Curaçao en de VS veel enthousiasme bestond voor het VHK, kreeg zij in het voorjaar van 1944 de opdracht om naar deze gebieden toe te reizen en daar VHK-leden te werven.

In de officiële opdracht stond dat Knapper zowel in Suriname als Curaçao 10 meisjes moest werven en dat alleen zij zou beslissen welke meisjes werden aangenomen. Reiskosten van de meisjes moest worden betaald door de plaatselijke Rode Kruis afdeling. In de VS moest Rie alleen polshoogte nemen of vrouwen daar echt bereid waren in Holland humanitaire hulp te verlenen. Gegadigden moesten daar in ieder geval een bereidverklaring tekenen. De minister van Oorlog schreef hierover, dat vrouwen die zich in de VS en Canada hadden aangemeld voor het VHK als een ‘reserve’ moesten worden beschouwd, van wie het nog maar de vraag was of deze vrouwen ooit zouden worden opgeroepen.(6)

Nog voor Rie vertrokken was, bleek vergoeding voor reiskosten en kosten voor training van de adspirantleden een twistpunt. Het was nog maar de vraag of de plaatselijke Rode Kruis afdelingen in staat en bereid waren om de reiskosten van de nieuwe leden te dragen. Ook de reiskosten van Rie zelf stonden ter discussie. In de zojuist genoemde brief van Van Lidth de Jeude aan de Londense afdeling van het Nederlandse Rode Kruis schrijft hij:

‘U acht het noodig, dat mevrouw Knappert (!) naar de Vereenigde Staaten wordt gezonden, teneinde aldaar met uw vertegenwoordiger de opleiding van vrouwen te organiseren. Hoewel ik meen dat daarbij in de allereerste plaats een Roode Kruis belang gediend wordt, ben ik bereid de kosten voor heen- en terugreis ten laste van mijn Departement te brengen, wegens de daarbij betrokken militaire belangen. Eveneens ben ik bereid een bescheiden verblijfsvergoeding bij te dragen, welke ik stel op 100 Britse pond. Eventueele verdere kosten dienen naar mijn meening door het Rode Kruis te worden gedragen.(7)

Verder benadrukte Van Lidth dat Knapper geen enkele definitieve toezegging mocht doen omtrent betaling van reiskosten van gegadigden.

Vol goede moed vertrok Rie in april 1944 naar Curaçao. Al spoedig bleek haar dat de autoriteiten aldaar niet officieel op de hoogte waren gesteld van haar komst en het doel daarvan en daarom niet met haar in gesprek wilden. Rie zag haar hele missie al in rook opgaan en schreef een brandbrief richting de minister van Oorlog, Van Lidth, en de voorzitter van de Londense afdeling van het Nederlandse Rode Kruis, baron Harinxma. Ze pakte het grondig aan en stuurde ook een nood-telegram naar prinses Juliana in Canada, die beschermvrouwe was van de Londense afdeling van het Nederlandse Rode Kruis. Dat telegram luidde:

To Her Royal Highness Princess Juliana

Governor nor Redcross president here received any official information re my mission and therefore are unwilling support me officially STOP Fear same difficulties in Surinam STOP Therefore impossible continue my mission STOP Have cabled London STOP Sollicitate your highness support

Marie Knapper

Dankzij de bemoeienis van HKH Prinses Juliana en ongetwijfeld ook door de acties van Van Lidth de Jeude en Harinxma kwam alles goed.

Knapper hield druk bezochte lezingen en er was ruime aandacht van de pers. Overal was er grote bereidheid en enthousiasme om de slachtoffers in het hopelijk snel bevrijde Nederland te helpen. Spoedig had Knapper zowel in Curaçao als in Suriname 10 nieuwe leden geworven (in totaal dus 20). In afwachting van hun vertrek naar Engeland werd al direct begonnen met hun training op medisch en militair gebied.

Daarnaast had Knapper ook een paar mobiele kantine wagens losgepeuterd bij de Vrouwen Organisatie op Curaçao en kreeg zij twee ambulances aangeboden, die bedoeld waren voor Nederlands-Indië, maar die door de Japanse inval daar nooit verscheept waren. De plaatselijke Rode Kruis afdelingen deden ook hun best. Vooral die van Suriname, die een bedrag van 10.000 gulden schonk. Verder waren er veel bedrijven die donaties deden voor de aanschaf van materieel.

Intussen was Knapper doorgereisd naar de Verenigde Staten, waar weer een heel andere situatie bestond. In New York waren al in het najaar van 1942 twee aldaar wonende dames (mw Guepin en mw. J.A. van Heurn) begonnen met het organiseren van een vrouwen hulpcorps voor Nederlandse vrouwen in Amerika. Toen bekend werd dat de Londense afdeling van het Nederlandse Rode Kruis een soortgelijk initiatief had genomen, hadden zij een brief aan koningin Wilhelmina gestuurd, waarin zij de hoop uitspraken te mogen aansluiten.

Rie Knapper werd hartelijk ontvangen en er kwam een artikel over haar komst in de Knickerbocker Weekly, een weekblad voor Nederlanders in de VS. Op de omslag prijkte een grote foto van Rie samen met mevrouw Van Heurn en enkele Nederlandse vrouwen, die getrouwd waren met een Nederlander die onder de wapenen was.(8) Blijkens dit artikel, getiteld The Women’s Auxiliary Corps maakte Knapper, die een struise verschijning was, een verpletterend strijdbare indruk. Zo schrijft de verslaggever dat ze weinig kwijt wilde over haar ontsnapping aan de Nazi’s in Europa:

‘But from her appearance, described by a Washington paper as ‘Juno-esque’, anyone can plainly see that a couple of Nazis are no match for her. Quick-witted and extremely persevering she steamrollers all obstacles.

Ook haar manier van praten droeg bij aan dit beeld: Mrs. Knapper believes in doing things at great speed. Her vocabulary reflects the speed of a one-woman commando force. Her sentences are frequently punctuated with phrases like ‘at once’, ‘it must be done’, ‘we will do it’ , ‘of course it’s possible’.

Rie Knapper (tweede van rechts) in Knickerbocker Weekly, 29 mei 1944

Dat de Nederlandse vrouwen in de VS en trouwens ook die in Canada door het VHK en de minister van Oorlog in Londen als ‘reserve’ werden beschouwd, viel niet in goede aarde en leidde tot veel protesten. Daarop liet “Londen” aan Knapper weten dat zij toch een twintigtal vrouwen in Amerika en Canada mocht werven.

Terwijl Knapper druk was met het regelen van training, vervoer, uniformen en huisvesting van de recruten , ontving zij eind juni 1944 een voor haar zeer teleurstellend telegram van baron Harinxma, die haar meedeelde dat haar missie afgelopen was en dat zij zo snel mogelijk naar Londen terug moest keren. Dat laatste deed ze niet (‘…anders was de hele reis voor niets geweest’) maar uiteindelijk moest ze wel aan de opdracht van Harinxma gevolg geven. Terug in Londen in juli 1944, had ze Harinxma gevraagd naar het waarom van dit telegram.

De Heer Harinxma antwoordde: “ik vond het wel lang genoeg. We willen niet zoveel menschen van daar en we waren bang dat u er meer dan twintig zoudt meenemen.(9)

Knapper zal het hare hebben gedacht over deze actie van een van haar superieuren. Niettemin stortte zij zich ook in Londen weer op haar werk voor de nieuwe leden van het VHK. In augustus 1944 nam zij even vrij om in het huwelijk te treden met mede-Engelandvaarder Frits Stokvis, een 36-jarige houthandelaar uit Amsterdam die zij op weg naar Engeland ontmoet had. Hij voer ook mee op de Cabo de Hornos, waarmee Rie naar Curaçao was gevaren. Hij was in februari 1942 uit Nederland vertrokken en op 17 maart 1943 in Engeland gearriveerd. Rie noemde zich vanaf dit moment Stokvis-Knapper.

Toen het er in september 1944 naar uitzag dat de bevrijding van Nederland aanstaande was, werden de plannen concreet om het VHK in te gaan zetten. Daartoe werd het korps in rap tempo gemilitariseerd, zodat het achter de geallieerde troepen aan naar pas bevrijd gebied kon doorstromen. Hoe Rie Stokvis-Knapper zich daar heeft ingezet, leest u in de derde en laatste aflevering va deze serie.

(1) Zie brief van de zich in Zwitserland bevindende mw. M. Knapper aan het London Committee of the Netherlands Red Cross d.d. 25-4-1942. Scan no. 0105, archief Rie Knapper, Museum Engelandvaarders.

(2) Scan no. 0133, archief Rie Knapper, Museum Engelandvaarders (waarschijnlijk februari 1943).

(3) A. BIERMANS, Vrouwen onder de wapenen: de oprichting van het Vrijwillig Vrouwen Hulpkorps en zijn eerste optreden in bevrijd Nederland (1943-1945). Doctoraal scriptie, Nijmegen (1983), p. 16-19.

(4) Jhr.ir. O.C.A. van LIDT DE JEUDE, Londense dagboeken 1940-1945. Bd 2 januari 1943- mei 1945, p.907 (9 februari 1943). Den Haag, 2001.

(5) Knapper schijnt voordat zij tot het VHK toetrad in 1943 een hotel in Londen te hebben gerund. Naam van het hotel was OZO (Oranje Zal Overwinnen). In 1944 toen Knapper voor het VHK in Amerika was, is dit hotel bij een bombardement beschadigd. Knapper stipt OZO aan in haar brieven, maar ik heb er verder niets over kunnen vinden.

(6) Scan 0094, archief Rie Knapper, Brief van de Minister van Oorlog, Van Lidth de Jeude aan het VHK d.d. 17-3-1944.

(7) Idem.

(8) Knickerbocker Weekly: The Netherlands Magazine, Number 14, May 29, 1944.

(9) Scan 0285, archief Rie Knapper. Brief van Rie Knapper aan de heer G.C.W. van Tets van Goudriaan, directeur van het Kabinet der Koningin, dd. 30-8-1944.

[

Lezing Agnes Dessing in het museum

](https://museum-engelandvaarders.weticket.io/lezing-agnes-dessing)

[

Plan je bezoek

](/escape-game)

[

Speel de Escape Game

](/escape-game)

Terug naar alle verhalen

Lees ook

Meer verhalen
Spectaculaire ontsnappingen Verhaal

Spectaculaire ontsnappingen

In zijn onderzoek naar de activiteiten van inlichtingen- en veiligheidsdiensten in Nederland tijdens en na de Tweede Wereldoorlog stuitte historicus Frans Kluiters in 1999 op pikante gegevens over...

26 maart 2026

Tulpen voor Wilhelmina Verhaal

Tulpen voor Wilhelmina

Mijn in 2004 verschenen proefschrift over Engelandvaarders draagt de titel “Tulpen voor Wilhelmina: de geschiedenis van de Engelandvaarders”.

26 maart 2026

Ontdek meer in het museum

Deze verhalen komen tot leven in Noordwijk. Plan je bezoek en sta oog in oog met de geschiedenis van de Engelandvaarders.