Speech Agnes Dessing bij de presentatie van het boek ‘Een familiekroniek over verzet tegen het fascisme 1940-1945’ van Bert Woudstra en Werner Rosenfeld op 30 maart 2025
ENGELANDVAART UIT WRAAK
Het boek van Bert Woudstra en Werner Rosenfeld dat hier vandaag gepresenteerd wordt, heeft als titel: Een familiekroniek over verzet tegen het fascisme 1940-1945. Het gaat over twee jonge joodse Engelandvaarders uit Enschede: Egon Woudstra en zijn neef Werner Rosenfeld.
In 1994, nu ruim 30 jaar geleden, hoorde ik de naam Woudstra voor het eerst. Ik was als historicus net aan een nieuw project begonnen: een onderzoek naar Engelandvaarders.
Engelandvaarders zijn Nederlandse mannen en vrouwen die tijdens de jaren 1940-1945 uit bezet gebied probeerden te ontsnappen en naar Engeland gingen om zich aan te sluiten bij de geallieerde strijdkrachten en zo vanuit Engeland te vechten voor de bevrijding van Nederland. In totaal hebben ca. 2000 Nederlanders Engeland bereikt.
Na aankomst werden ze uitgebreid verhoord door de Engelse veiligheidsdienst om eventuele Duitse spionnen eruit te vissen. Daarna deed de veiligheidsdienst van de Nederlandse regering in Londen het nog eens dunnetjes over. Die Nederlandse verhoorrapporten lagen (en liggen nog steeds) in wat nu het Nationaal Archief heet en vormden de hoofdbron voor mijn onderzoek. Jarenlang heb ik in het archief doorgebracht en talloze kartonnen dozen met verhoren doorgeworsteld. Tegenwoordig staat dit archiefmateriaal online, maar toen helaas nog niet.
Om goed te beseffen dat het niet om papier ging, maar om mensen ging ik regelmatig een Engelandvaarder interviewen. Ik besloot dichtbij in mijn eigen woonplaats Haarlem te beginnen en zo kwam ik uit bij Egon Woudstra, die in 1942 samen met zijn neef Werner Rosenfeld op weg ging naar Engeland.
Het interview begon gemoedelijk en ging over Egons jeugd in Enschede en hoe zijn ouders eigenaar waren van een bekende modezaak aldaar. Maar toen begon Egon te vertellen over de arrestatie van zijn vader, Samuel Frits Woudstra in de nacht van 13 op 14 september 1941. Het verzet had telefoonkabels doorgesneden en als represaille besloten de Duitsers ruim 100 vooraanstaande, deels joodse inwoners van Enschede op te pakken. De niet-joodse arrestanten werden al snel vrijgelaten.
De joodse arrestanten, onder wie vader Woudstra, werden naar Mauthausen gestuurd en daar vermoord. Al na twee weken ontving Egons moeder bericht dat haar man ‘aan een hartkwaal’ overleden was. Terwijl hij dit vertelde raakte Egon hevig geëmotioneerd en zei in tranen:_ ‘Ik had hem kunnen redden … had ik hem maar gezegd in de tuin te gaan staan.’_
Egon Woudstra
Het peilloze verdriet en schuldgevoel van Egon Woudstra maakte diepe indruk op mij en ik zal het nooit vergeten. Maar het heeft mij ook iets geleerd, namelijk dat wraak een motief kon zijn voor Engelandvaart. Of zoals Werner het in zijn reisverslag formuleert:
Eén gedachte staat ons voor ogen: oom/vader Frits te wreken die op 14 september uit huis werd weggevoerd. Vervolgens naar concentratiekamp Mauthausen werd gedeporteerd en na 2 weken werd vermoord. We zullen voor niks terugdeinzen om ons doel te bereiken. We willen voor de goede zaak, voor onze ouders en familie en voor ons recht en voor onze vrijheid strijden!
In een paar zinnen komen hier een aantal beweegredenen voorbij die bij alle Engelandvaarders terugkomen: vaderlandsliefde, woede over de Duitse inval, verlangen naar vrijheid en ook wel zucht naar avontuur. Bedenk dat in die tijd nog maar weinig mensen op vakantie naar het buitenland waren geweest.
Cruciaal is dat deze persoonlijke beweegredenen nauw verweven waren met maatregelen die de Duitse bezetter nam en die als een soort pushfactor werkten, waardoor mensen die misschien vage plannen tot Engelandvaart hadden ook daadwerkelijk op weg gingen.
Een overduidelijke pushfactor was de start van de deportatie van Nederlandse joden in de zomer van 1942, maar ook de in het voorjaar van 1943 aan studenten voorgelegde loyaliteitsverklaring, waarmee ze verklaarden niets tegen de bezetter te zullen ondernemen. Alleen als zij deze verklaring tekenden mochten ze verder studeren.
Nog een pushfactor was de in 1942 afgekondigde Arbeitseinsatz. Nederlandse mannen tussen 17 en 40 jaar werden van de straat geplukt of bij razzia’s thuis opgehaald en gedwongen in Duitsland te werk gesteld. Dat gold ook voor de maatregel voorjaar 1943 waarbij militairen en dienstplichtigen zich in krijgsgevangenschap moesten begeven.
Het is evident dat Egon en Werner, die beiden joods waren, en al het nodige aan uitsluiting en vernedering ondervonden hadden, een dringende reden hadden om Nederland te verlaten om aan deportatie te ontsnappen.
Hoe ging zo’n reis naar Engeland in zijn werk? Er waren grofweg 3 routes: met een bootje de Noordzee oversteken, via het neutrale Zweden of een lange reis over land in zuidelijke richting.
Ik geef rondleidingen in het Museum Engelandvaarders in Noordwijk en daar denken de bezoekers vaak dat de route via de Noordzee, die het kortste was, ook het meest gebruikt werd. Dat is niet zo. Deze route was zeer gevaarlijk omdat men niet-zeewaardige bootje gebruikte, waardoor veel mensen zijn verdronken. Ook was het vanaf 1941 toen de Duitsers begonnen met de aanleg van de Atlantik Wall bijna onmogelijk om het kustgebied te bereiken. De kuststrook was tot Sperrgebiet verklaard en werd streng bewaakt.
Daarom hebben de meeste Engelandvaarders, ook Egon en Werner, gekozen voor de zogenaamde zuidelijke route. Ook deze route was trouwens vrij gevaarlijk.
Vanuit Nederland moest je een heleboel grenzen clandestien overschrijden; eerst de grens van Nederland naar België, dan die van België naar Frankrijk, binnen Frankrijk was er ook een grens, de zogenaamde demarcatielijn tussen het noorden van Frankrijk dat was bezet was door de Duitsers en het onbezette zuiden, waar maarschalk Pétain de baas was, ook wel Vichy-Frankrijk genoemd. Vervolgens moest je de Pyreneeën passeren om in Spanje te komen en vandaaruit kon je met boot of vliegtuig naar Engeland.
Werner Rosenfeld
De kans op arrestatie onderweg was voortdurend aanwezig, was het niet bij zo’n illegale grensovergang, dan was het wel tijdens een controle in de trein. Het kon zijn dat je papieren niet goed werden bevonden of dat je door de mand viel omdat je niet goed Frans sprak. Sommige Engelandvaarders gingen daar heel inventief mee om. Zo was er een Engelandvaarder die gecontroleerd werd door een Duitse soldaat en toen de man iets vroeg met veel bravoure een Frans gedicht begon te declameren. Een Franse controleur was daar vast niet in getrapt, maar omdat de Duitse soldaat ook het Frans niet beheerste, kwam hij ermee weg.
Een ander mooi verhaal gaat over een hele jonge Engelandvaarder van 16, die zonder geld van huis was weggelopen en die echt geen woord Frans sprak. Hij werd geholpen door Franse verzetsmensen, die hem een bordje om zijn hals hingen waarop de woorden sourd-muet (doofstom). Zo kon hij als hij aangehouden werd simpelweg op het bordje wijzen
Deze problemen met controles hadden Egon en Werner niet, want zij kropen op 18 september 1942 op het CS Amsterdam in zogenaamde wielbakken onder de D-trein naar Parijs. Vanaf hun ligplaats onder de trein konden zij tijdens stops de laarzen van Duitse soldaten zien op het perron, maar niemand zag hen.
Tot er bij de Belgisch -Franse grensplaats Quevy een mannetje met een hamer de wielen ging controleren op breuken. Hij zag de mannen liggen, ging weg en kwam terug met een gendarme. Egon en Werner dachten dat ze zouden worden gearresteerd, maar de gendarme vroeg: ‘Vous êtes prisonniers de guerre?’ (Bent u krijgsgevangenen?). Egon had de tegenwoordigheid van geest om daar ‘Oui’ op te zeggen, waarop de gendarme hen toestond onder de trein te blijven liggen.
In Parijs klopten ze aan bij een zakenrelatie van Egons vader, die zorgde voor onderdak en het omwisselen van geld. Een paar weken later reisden ze door naar het zuiden, kwamen over de demarcatielijn en bereikten in oktober 1942 Marseille.
Je zou verwachten dat Engelandvaarders die onderweg problemen ondervonden hulp kregen van Nederlandse consulaten, maar dit stelde helaas bedroevend weinig voor, zoals veel Engelandvaarders hebben ervaren. Het consulaire personeel snapte niet wat de jongens kwamen doen en raadde hen meestal aan naar huis terug te keren. Ook Werner en Egon, die de Nederlandse consul in Marseille, ene jonkheer Van Lennep bezochten, werden snel afgescheept. De jonkheer gaf hen een klein beetje geld en werkte de jongemannen zo snel mogelijk het pand uit.
Daarna toog het tweetal naar het Office Neérlandais in Perpignan waar ze heel wat vriendelijker werden ontvangen door consul Joop Kolkman. Deze beloofde voor papieren te zorgen waarmee ze officieel via Spanje en Curaçao naar Engeland zouden kunnen reizen. In afwachting daarvan werden ze ondergebracht in Maison Mazard, een opvanghuis in het dorpje Le Soler, vlakbij Perpignan.
Die officiële weg werd onmogelijk toen de Duitsers op 11 november 1942 ook Vichy-Frankrijk bezetten. De onvolprezen Kolkman zorgde voor valse papieren en een passeur (gids). Samen met een groep andere Nederlanders vertrokken Egon en Werner illegaal naar Spanje. Ze gingen met een trein door het grensgebied, moesten op een zeker moment uitstappen en kregen van de gids het advies alleen ’s nachts langs de spoorbaan te lopen en zich overdag te verstoppen.
Dat was een heel goed advies, want ook in Spanje was de kans op arrestatie levensgroot, weliswaar niet door de Duitsers, maar door de Spaanse politie, de Guardia Civil. Spanje, onder leiding van generaal Franco, was op de hand van Hitler. Engelandvaarders en ook vluchtelingen die de Pyreneeën overkwamen werden beschouwd als ‘ongewenste vreemdelingen’. Ze werden dan wel niet aan de Duitsers uitgeleverd, maar wel direct ingerekend. De mannen werd vaak naar het concentratiekamp Miranda de Ebro in Noord Spanje gestuurd, waar ze soms wel een half jaar vastzaten. Ook werden veel Engelandvaarders opgesloten in gevangenissen in Noord Spanje: in Burgos, Pamplona, Zaragossa en andere steden.
De groep van Egon en Werner hield het langs het spoor lopen 3 dagen vol en werd toen gearresteerd en in de gevangenis van Barcelona opgesloten. Vrij snel werden ze daaruit bevrijd door het Nederlands consulaat (dat dus wel) en in Madrid in een hotel ondergebracht.
In januari 1943 ging de groep van Madrid naar het Zuid-Spaanse Cadiz, waar werd ingescheept op de Cabo de Buena Esperanza. Via Curaçao en de VS reisden Egon en Werner naar Canada (waar ze Prinses Juliana ontmoetten in Ottawa) en vandaar ging het naar Engeland. Een enorme omweg om in een land te komen dat zo dicht bij Nederland ligt
Op 18 juni 1943 kwamen Egon en Werner in Engeland aan, exact 9 maanden na hun vertrek uit bezet Nederland. Egon koos voor de RAF en werd opgeleid tot telegrafist-boordschutter. Werner vocht bij de Prinses Irene Brigade.
Ze waren uit handen van de Nazi’s gebleven, hebben gevochten voor de bevrijding van Nederland en hadden doeltreffend wraak genomen voor de moord op hun vader/oom.
[
Interview Bert Woudstra (93) op YouTube.