Martin Mathey, De Route naar Vrijheid. Gerco en Truus Vollema-Nijenhuis, Engelandvaarders

Martin Mathey, De Route naar Vrijheid. Gerco en Truus Vollema-Nijenhuis, Engelandvaarders

Door Sierk Plantinga

Een aantal jaar geleden hoorde ik een aardige anekdote over een groepje Engelandvaarders die op 12 juli 1942 in Londen was gearriveerd. Eén der Nederlandse officials sprak toen over ‘die groep van 8 Engelandvaarders’, waarop Truus Vollema, de enige vrouw in dat gezelschap Engelandvaarders, protesteerde en de official meteen corrigeerde door op te merken dat het hier geen 8 Engelandvaarders betrof maar 8 ½: zij was immers zwanger en het nog niet geboren kind telde volgens haar voor minstens een halve Engelandvaarder mee.

Het aardige van anekdotes is dat die niet zo vaak vertellen over wat er werkelijk gebeurd is, maar dat zij wel een indruk geven van de omstandigheden. Maar in dit geval staat de op 25 december 1942 geboren Hannewietske Vollema na haar doop in Londen met foto en al op de cover van het boek ‘De Route naar vrijheid. Gerco en Truus Vollema-Nijenhuis; Engelandvaarders’.

‘De Route naar Vrijheid’ is het verslag van de kleinzoon van het echtpaar Vollema-Nijenhuis over hun belevenissen tijdens de oorlog en vooral over hun vertrek en reis uit het bezette Nederland naar Engeland. Gerco Vollema (1915-1985) was vanaf december 1936 benoemd tot reserve-tweede-luitenant bij de artillerie en vanaf februari 1939 werd het ‘reserve’ omgezet in ‘beroeps’. Het paar trouwde in augustus 1939, luitenant Gerco werd aan het eind van die maand geplaatst in Den Haag.

Gerco Vollema

Gerco Vollema

Truus Vollema-Nijenhuis

Op 26 april 1940 overkwam Gerco met zijn paard een ernstig ongeval in Den Haag waardoor zijn linkervoet zwaar gewond werd en er eerst gevreesd werd dat die voet niet behouden kon worden. Er begon vervolgens een langdurig herstel in het Haagse Bronovo-ziekenhuis. Daar wist zijn echtgenote Truus een baan te krijgen waardoor zij iedere dag bij hem op bezoek kon gaan; onderdak vond zij in een pension in de buurt van Bronovo, aan de Floris Grijpstraat 7, een adres dat later voor diverse Engelandvaarders van belang zou zijn.

Eind augustus 1940 kon Gerco het Bronovo-ziekenhuis verlaten, hij was toen in staat om voorzichtig met krukken te lopen, en vestigde zich ook in het pension aan de Floris Grijpstraat 7. Daar moest hij vervolgens nog veel oefenen om zijn voet te laten herstellen. Hij ontmoette in dat pension ook een toekomstige Engelandvaarder, Theo Wachtel, wiens moeder de pensionhoudster was. En verder verbleef daar ook Laurus Melse, een ambtenaar die nauwe banden met het verzet onderhield. Deze was een spil in de zogenaamde Van Niftrik-route vanuit Brabant naar Zwitserland en zou veel Engelandvaarders vanuit Den Haag via Van Niftrik in Putte op weg helpen.

In het Bronovo kreeg Gerco veel bezoek van collega’s, waaronder zijn regimentscommandant die hem adviseerde om de door hem meegenomen erewoordverklaring te ondertekenen. Gerco deed dat, en ná de oorlog gaf hij in een verhoor bij de Enquêtecommissie zijn redenen daarvoor op: ‘Het werd toen zo uitgelegd dat men die verklaring te allen tijde kon intrekken. Dat was het hoofdmotief waarom ik die verklaring heb getekend. Wij beschouwden het meer als een vodje papier, als een formaliteit. (-) Het was eerder geoorloofd om “dit” erewoord te geven, dan “een” erewoord, doordat de Duitsers zich niet hebben gedragen zoals een normale vijand zich gedraagt’.

Eind oktober 1940 verhuisde het echtpaar weer naar hun oude adres in Utrecht. Via de verplichte Opbouwdienst kwam Gerco terecht bij de Nederlandse Arbeidsdienst maar door een sollicitatie bij Politie en Marechaussee kon hij die verplichte Arbeidsdienst vermijden: hij kreeg werk bij de afdeling Persoonsbewijzen aan het Utrechtse stadhuis; daar wist hij paspoorten, stempelkussens en dergelijke voor onder meer Engelse piloten te stelen. Zo kwam hij ook in contact met de verzetsorganisatie Ordedienst, de OD.

Door de voortdurende arrestaties bij de OD, en ook door zijn langzamerhand verbeterende voet rijpte het plan om uit te wijken naar Engeland. Laurus Melse was hem daar zeer behulpzaam bij en Truus wist Melse te overtuigen om haar met haar man mee te laten gaan. Op zaterdag 1 november 1941 vertrokken zij naar Putte, naar ‘oom Job’ van Niftrik. Via Putte, Antwerpen (familie Van Dulken) kwamen zij in contact met mevrouw Caumeutin, een passeuse die hen over de Belgisch-Franse grens wist te loodsen, waarbij zich nog twee andere Engelandvaarders wisten te voegen, Albert Scheffer en Theo Wachtel.

Na meerdere keren door het oog van Franse en Duitse controles te zijn gekropen wisten zij Besancon en Pontarlier te bereiken; in die laatste plaats troffen zij de gids die hen door het gebergte van de Jura naar Zwitserland zou begeleiden; de taak van mevrouw Caumeutin zat er op. Via La Ronde, het Zwitserse plaatsje aan de grens, werden zij door een Zwitserse grenswacht overgebracht naar Les Verrières voor een eerste verhoor en daarna naar Neuchâtel op 14 november 1941. Gerco en de andere twee Engelandvaarders werden in de lokale gevangenis opgesloten, en Truus bij het Leger des Heils.

Op 20 november werden zij allen vrijgelaten en onder Zwitserse geleide naar Bern, naar het kantoor van de Nederlandse militaire attaché, overgebracht. Daar volgde de eerste echte teleurstelling: de gedachte dat zij vanuit Bern snel door konden reizen naar Engeland bleek een misvatting te zijn. Diverse visa waren nodig, Franse, Spaanse; mannen mochten niet ouder dan 18 jaar zijn en niet jonger dan 41, de dienstplichtige leeftijd, anders zouden zij door de Duitsers beschouwd worden als helpers van de geallieerden. En dus werden er op dat vlak nogal wat frauduleuze jaartallen opgevoerd in de paspoorten. Gerco, met snor en donkere bril, moest 42 jaar oud zijn, (‘hij leek het’ volgens Truus die fungeerde als zijn secretaresse). Bovendien mochten zij van de Spaanse regering niet rechtstreeks naar Engeland gaan; een land in Latijns-Amerika was wel acceptabel. Al dit soort vereisten vergden nogal wat tijd.

In die periode reden er met een zekere regelmaat tussen Zwitserland en Spanje zogenaamde geplombeerde (afgesloten) treinen. Op 21 mei 1942 vertrokken zij uit Genève met zo’n trein door Vichy-Frankrijk naar Cerbère aan de Frans-Spaanse grens. Ook de hindernis Frankrijk-Spanje werd overwonnen met de valse papieren. In Barcelona konden zij zich inschepen op de Cabo de Bueno Esperanza. Wat Truus niet wist was dat Gerco in Genève met de Engelse consul daar afgesproken had dat zij als zogenaamde spionnen ter hoogte van Gibraltar door een Engels marineschip van boord zouden worden gehaald en naar Gibraltar zouden worden overgebracht. Dat gebeurde op woensdagochtend 3 juni, tot woede van de Spaanse kapitein van de Cabo.

Het duurde een kleine maand voordat het gezelschap aanwezige Nederlandse vluchtelingen met een Engels transportschip naar het Verenigd Koninkrijk kon vertrekken: aankomst te Glasgow op 12 juli 1942. Vanaf dat moment volgden de gebruikelijke gebeurtenissen: onderzoek eerst in de Patriotic School, daarna bij de Politie Buitendienst en vervolgens op zoek naar een oorlogsbetrekking.

Kleinzoon Martin Mathey heeft de reis van zijn grootouders naar Londen op een heldere wijze beschreven en zijn eigen tekst regelmatig aangevuld met later opgeschreven dagboekaantekeningen en herinneringen van zijn grootouders. Het is daardoor een zeer lezenswaardig boek geworden met bovendien veel illustraties.

Het boek, 206 pagina’s (ISBN 978-94-6522-412-1), is te koop in de winkel van het museum.

Martin Mathey

Omslag De Route naar de Vrijheid - Martin Mathey

Terug naar boekbesprekingen

Lees ook

Meer boekbesprekingen

Ontdek meer in het museum

Deze verhalen komen tot leven in Noordwijk. Plan je bezoek en sta oog in oog met de geschiedenis van de Engelandvaarders.