Met Freddy Berlage en Lex da Costa probeerde Alex Wiesinger in de herfst van 1941 via het ‘zeehostunneltje’ in Katwijk naar Engeland te ontkomen. Zijn verslag geeft een goed beeld van wat er in het gangetje onder de boulevard gebeurde.
Ik zag veel voordelen in een rechtstreeks oversteken van de Noordzee: zelfstandigheid in organisatie en uitvoering, onafhankelijkheid en snelheid. Ik dacht aan een vouwboot, maar wist te weinig van dit type af. Het toeval deed mij de levenspaden kruisen van twee studenten, Adri Oosters en Hans Kerkhoff. Beide jongens waren ineens verdwenen en zouden volgens een vriendin al ‘aan de overkant’ zijn. Ik kon mijn oren niet geloven en was direct wild jaloers. Deze twee waren dus in een kalme nacht maar even overgestoken! Iemand die bij haar in huis woonde verklaarde bericht te hebben ontvangen dat Oosters en Kerkhoff waren aangekomen.
In maart kocht ik een vouwboot voor de neus weg van iemand die er vanuit Den Haag om telefoneerde. Freddy Berlage was bereid financieel bij te dragen tot een bedrag van 250 gulden. De startplaats, waarvoor we een introductie bezaten, was reeds eerder door Freddy in ogenschouw: een doorgang onder de boulevard in Katwijk vanuit een kindersanatorium. Oosters en Kerkhoff waren uit deze tunnel gestart. Na een maand bleek dat zij geenszins in Engeland waren aangekomen en niet in Duitse handen waren gevallen, maar vermoedelijk waren verdronken. Maar ik liet me door dit nieuwe bericht niet van mijn plan af brengen, daar ik de omstandigheden waaronder deze jongens gestart waren veel ongunstiger vond dan die waaronder wij van plan waren te vertrekken. In een ijskoude februarinacht waren zij in een open boot waarin beweging onmogelijk is vertrokken met grote kans op verkleuming. Zij hadden geen vouwbootervaring en hun werkverdeling was heel anders. De voorste man kon alleen uitkijken, terwijl de achterman koers moest houden en tegelijk de motor moest bedienen, reguleren en benzine vullen om het half uur. Dit was een onnodige overbelasting, doch ernstiger wellicht was de ligging van het kompas: vóór de achterman, terwijl de motor naast hem gemonteerd was, zodat een ernstige deviatie moest optreden, die nauwelijks te compenseren was. Al met al meende ik in een veel gunstiger positie te verkeren: grondige training, zomernachttemperatuur, gunstiger werkverdeling.
‘Bovenop het duin naast de tunnel stond een mitrailleur’
Mijn vakantiedagen werden aan het zoeken van een nieuwe startplaats besteed. Per fiets gingen we de kust langs: Noordwijk, waar we een huis op het oog hadden dat zeer geschikt leek om te huren. Katwijk, waar echter een mitrailleur bovenop het duin naast de tunnel stond. Scheveningen, Maassluis, Hoek van Holland, ter Heide, ’s Gravenzande, Wijk aan Zee, Den Briel, Castricum… Ook moest het vervoerprobleem nog opgelost en de motor ingedraaid. In Abcoude hielden we een proefvaart op het Gein. Het werd urenlang modderen, de motor sloeg wel aan maar ik smoorde hem te veel. Ik trok mij een ongeluk en na een nieuwe bougie ingezet te hebben lukte het. Enige malen voeren wij het Gein op en af. Snelheid: ca. 17 km per uur. Ik rekende er op zee 10 à 12 te zullen maken en de 200 km naar Lowestoft binnen 20 uur te halen. De dagen erna schilderden we de boot grijs en brachten we een dubbele besturing aan.
Neef Bob Crone vergezelde me in de trein tot Haarlem; we reisden eerste klas om ongestoord te kunnen praten. Hij zou de volgende ochtend naar mijn moeder gaan en haar een brief van mij overhandigen met de sleutel van mijn bureau. Daaruit had ik alles verwijderd dat nasporende personen wijzer zou kunnen maken. Veel correspondentie-stukken waar ik aan gehecht was, moesten in rook opgaan, evenzo mijn kasboek. Van mijn salaris had ik gedurende een jaar 750 gulden gespaard, waarvan 600 gulden in de plannen waren versmolten. De rest gaf ik aan mijn neef in bewaring. Mocht ik voor Kerstmis niet terug zijn, dan moest hij er een deel van aan mijn moeder geven en de rest als cadeau beschouwen.
In Leiden wachtte Lex mij op en tezamen begonnen wij aan het laatste traject: de tram naar Katwijk. Tegen de schemering kwamen wij daar aan. Freddy stond bij de tram te wachten. Hadden wij in Amsterdam bij de generale repetitie twee helpers, nu hadden zich twee Leidse studenten – Bart Hofdijk en Hans Buning – aangeboden om ons te assisteren ter lering. Zij waren van plan binnenkort van dezelfde plaats met een vouwboot te vertrekken en wilden meemaken hoe een start in zijn werk ging.
We nestelden ons allen in een duinpan, tamelijk dichtbij het sanatorium, waar de auto met mijn boot zou voorrijden volgens de afspraak. Intussen vertelde onze derde helper – ene Van Dorp – me dat hij al zeven vouwboten in zee had geholpen, waarvan met zekerheid één was aangekomen. Deze was het slordigst en dilettanterigst uitgerust van allen, bemand door twee fantasten en gestart in de langste nacht en onder het gezicht van de mitrailleurpost!
De boot werd die avond omstreeks tien uur gebracht. De vrachtwagen stopte voor het sanatorium. De expediteur maakte ons erop attent dat uit een van de koffers benzine lekte. Intussen was het elf uur geworden en begon de langzame sluiptocht door de nacht naar de 100 meter verder gelegen tunnel, zwaar beladen. Door de vertraagde aankomst was ik al lelijk achter gekomen met mijn program. Onder normale omstandigheden kon ik de boot in anderhalf uur geheel startklaar maken. Daar ik nu echter slechts met zaklantaarnlicht kon werken, moest ik wel op 2 à 3 uur rekenen. Tegen vier uur zou de maan opkomen, waarvan we geen nadeel verwachtten als we eenmaal op zee waren. Het ochtendlicht zou ons dan al zestig kilometer op zee vinden, hopelijk buiten de patrouillezone der Schnellboote. Het verhaal was echter bekend, dat een zee-officier in een vouwboot in het gezicht van de Engelse kust nog door een S-boot was opgepikt, wat hem twee jaar tuchthuis kostte.
‘We doofden onze lampen en stonden tien minuten doodstil in het donker van de tunnel’
Het was al half twaalf toen wij onze positie in de tunnel hadden ingenomen. Het terrein grensde onmiddellijk aan de boulevard, waarvan het door een hoge afrastering was gescheiden. De tunnel zelf bevond zich pal onder de boulevard, was aan de zeezijde door een deur gesloten maar aan de landzijde geheel open, waardoor wij op de verlichting van onze zaklantaarns aangewezen waren. Op de plek boven de tunnel zou ieder geluid duidelijk hoorbaar zijn, zodat wij een waarschuwingspost inrichtten, die achter een struik achter de afrastering lag en de boulevard in het oog hield. Deze post was met de ingang van de tunnel verbonden door een touw. Bij nadering van patrouilles zou een ruk aan het touw gegeven worden, waarna de post aan de ingang een lichtsignaal de tunnel in gaf. Het opbouwen van de boot was mijn afdeling, waarbij Freddy me bijlichtte.
We hadden de bagage nog nauwelijks geopend of het eerste alarmsignaal werd gegeven. We doofden onze lampen en stonden doodstil. Maar toen er geruime tijd buiten niets vernomen werd, voelden wij ons wel wat ongemakkelijk. Na tien minuten in het donker gestaan te hebben, kwam een bericht van de struikpost door: hij had een paal voor een man aangezien en veiligheidshalve alarm gegeven. Daarna begon ik koortsachtig op te bouwen, wat door de zandige bodem en de slechte belichting niet meeviel. Ook waren de batterijen veel eerder uitgebrand dan ons door de leverancier was voorgespiegeld. Om het half uur werd nu alarm gegeven en enige tijd later klonk het geluid van een patrouille boven onze hoofden, waardoor het werk weer onderbroken moest worden. Het was een hele gewaarwording de vijand op een meter afstand te horen lopen, maar wij wenden er gauw aan. Vooral ons ploegverband was sterkend voor het moreel. Eenmaal passeerde een motor, wat in de tunnel donderend weerklonk.
Drie uren had ik al achter elkaar doorgewerkt en ik transpireerde hevig. Met schrik constateerde ik dat het al drie uur was. Buiten dreunde de branding monotoon, de lantaarns werden steeds zwakker. Het leek alsof ik al een etmaal in dit donkere verblijf rondkroop. De benzinedampen irriteerden ogen en neus. Een blik van 5 liter was lek gestoten, maar Van Dorp kon ons aan een nieuw blik helpen, dat hij ergens uit het zand groef. Wij hadden nog maar een uur tot de maan kwam. Hierdoor kwam er niets van een finishing touch. Alles wat wij nog op zee konden doen, zoals benzine vullen, liet ik op Freddy’s voorstel schieten. De voorraden werden vlug daar gestopt waar nog ruimte was. Wij hadden het gevoel dat het al bijna ochtend was. Wij deden een opblaasbare reddingsgordel om, zuidwesters op, jumpers aan, broekspijpen opgestroopt. Wij zouden tot over de knieën het water in moeten. Op blote voeten was te riskant wegens verwondingen, zodat wij op tennisschoenen liepen. Deze zouden dan in de boot tegen een paar droge verwisseld worden.
Om ongeveer kwart over drie opende Van Dorp de deur naar het strand. We namen afscheid van onze helpers. Ik gaf Lex mijn bonnen en Freddy stak de laatste krant in zijn binnenzak. Fris stroomde de nachtlucht naar binnen, het gedreun en gesis van de branding klonk over alles heen. Stappen waren niet te horen. Nu kwam de grote gok. Behalve de patrouilles die over de boulevard marcheerden, waren er namelijk ook strandpatrouilles die niet door ons waargenomen konden worden vanaf het terrein. Openden wij dus de poort, dan kon juist zo een patrouille passeren.
‘Het was als een geboorte en de aanblik van de zee was overweldigend’
Niet voor te stellen, dat Van Dorp nu al voor de zevende keer deze gok nam. Het ogenblik maakte steeds weer grote indruk op hem, vertelde hij, nadat hij de omtrek had verkend. Het was als een geboorte en de aanblik van de zee was overweldigend. De branding, op veertig meter afstand, was één lichtende strook; een prachtig natuurschouwspel, dit fluoresceerproces.
Toen tilden wij de boot met ons vieren. De Leidenaren bleven op het terrein. Het was een loodzware vracht en in het mulle zand moesten wij eenmaal pauzeren en van plaats verwisselen; de motorkant was namelijk het zwaarst. De boot schoof het water in en het leek wel een fontein van goud die over de boeg spoelde. Ook om onze enkels was het één gulden gespetter en toen we plaats hadden genomen en de eerste slagen met de peddels maakten, sproeiden ook deze goudwater. Het was onbeschrijfelijk mooi en een moment voelde ik mijn moeheid niet meer.
De makkers waren verdwenen, ieder geluid werd overstemd door de branding. Voor me zag ik Freddy peddelbewegingen maken, terwijl ikzelf, het laatst ingestapt, nog niet helemaal met mijn benen op de bodem zat. De branding was niet bijzonder wild. We hadden ongeveer tien slagen gedaan toen ik de boot ineens onder me weg voelde glijden uit een onverklaarbare oorzaak. Wij dompelden onder, bleven gelukkig niet aan de boot hangen maar vielen er als rijpe appels uit. Ik had gelukkig grond onder de voeten en mijn linkerarm was uit het lid geschoten, mijn chronische kwaal. Door even te schudden schoot hij weer in de kom, maar intussen zagen wij de boot als in een snelle stroom naar het noorden wegdrijven. Naderhand stelden wij de diagnose, dat de verraderlijke stroming van een grondzee ons heeft doen kantelen.
Met de peddels over de schouders waadden wij aan land, geheel verbijsterd en ontnuchterd. Het water klotste in mijn schoenen, die ik op Freddy’s advies uitschopte. Slechts van één gedachte waren wij vervuld: onszelf in veiligheid brengen. Met weerzin, maar snel als de bliksem, was onze geest, die geheel op de overtocht was ingesteld, overgeschakeld op ’volle kracht achteruit’. Gelukkig passeerde er geen patrouille en voorzichtig klopten wij op de tunneldeur… Zouden zij opendoen of waren zij weg? Zouden zij denken dat het Duitsers waren en verdwijnen? Van Dorp deed open en met ontzetting vernamen de anderen wat ons was overkomen. De situatie was echter zo komisch, dat er een ontspannende lach kwam. Maar toen zij hoorden, dat de boot weggespoeld was, daalde de stemming. Na kort beraad leek het niet verantwoord om de boot, die zeker spoedig zou aanspoelen, te bergen. Alle sporen moesten uit de tunnel verwijderd worden en dan zouden wij verder zien.
Freddy en ik gingen vooruit en rustten bij het sanatorium uit. Wij waren nat en voelden ons rampzalig toen wij door de duinen op blote voeten, geprikt door doornen en gestoten tegen stenen, de terugweg aanvaardden. In een duinpannetje wachtten we de anderen af en deden nieuwe krachten op met cognac. Twintig minuten later waren wij allen compleet; de peddels waren in een konijnenhol gestopt en het overige in Van Dorps huis verstopt. Ongetwijfeld moest de boot al aangespoeld zijn en ontdekt door een patrouille. Iets eerder al had mijn onderbewustzijn me eraan herinnerd dat het Nieuwe Testament, dat in de boot lag, mijn naam vermeldde. Deze nacht scheen een ongelukkige voor mij te zullen worden. In een soort visioen zag ik voor me, dat mijn leven hierdoor een geheel andere wending zou nemen. Tegelijk maakte zich een gevoel van dankbaarheid van me meester, dat ik nog in volledige vrijheid verkeerde. Er zat niets anders op dan van Van Dorps gastvrijheid gebruik te maken en de natste kleren te verwisselen.
Daarna gingen wij met ons zessen om de tafel zitten met een spel kaarten en zouden ingeval van huiszoeking een partij bridge simuleren. Om vier uur in de ochtend met zes man! De situatie werd breeduit besproken en voor het eerst zag ik de gezichten van mijn Leidse helpers. Zij voelden er veel voor om onmiddellijk te verdwijnen, totdat ineens schril de telefoon rinkelde. Van Dorps moeder, in peignoir, nam de hoorn aan. Het was de stoker, die in een huis bij de ingang van het sanatorium woonde. Hij vertelde, dat er een Duits officier en een soldaat om de sleutel van de tunnel verzochten en kort daarna kwam hij de sleutel halen. Intussen leek het beter, te doen alsof het hele huis in slaap was en dat wij daar gewoon logeerden, dus kropen wij allen in diverse bedden. Ieder ogenblik hebben we die nacht een inval in het huis verwacht, maar toen we om zeven uur nog niets gemerkt hadden, bleek het daglicht het kwaad gesternte verdreven te hebben.
Bericht kwam dat de Duitse officier had vastgesteld dat, gezien de benzinelucht in de tunnel, die nacht een boot was vertrokken; de boot was echter gevonden en er waren mensen gearresteerd. De Leidenaren besloten er direct vandoor te gaan op hun fietsen. Met kleren van Van Dorp aan gingen Freddy en ik enige minuten later op de tandem van Van Dorps ouders dezelfde weg en Lex volgde kort daarna. Toen we langs het sanatorium fietsten – wat gaf het daglicht aan alles een fleurig gezicht – gingen er boven ons een paar ramen open en riepen de zusters elkaar het grote nieuws toe: ‘Heb je het al gehoord, er is hier vannacht een boot naar Engeland vertrokken.’
Geheel gerust waren wij pas, toen wij het dorp achter ons hadden. Een gedeelte van de weg reden wij op met een boer, met wie we een onopvallend gesprek voerden. Later vertelde Van Dorp ons, dat tien minuten na ons vertrek een Duitse wacht aan de poort van hun terrein werd geposteerd en het terrein grondig werd doorzocht, waarbij onderdelen van een vouwboot werden gevonden van iemand die buiten medeweten van Van Dorp vandaar had willen starten. Van Dorp stond zelf niet onder verdenking en de hele familie heeft er gelukkig verder geen last van gehad. Wel moest de directrice van het hospitium op Duits gezag het personeel waarschuwen zich niet met illegale handelingen in te laten. Ook moest de tunnel dichtgemetseld worden, hetgeen spoedig daarop is geschied.
Intussen zette ik koers naar Den Haag. Freddy treurde om zijn verloren blikje Chesterfields, terwijl ik de Duitsers de tien repen chocola, alle volle melk, zoals ik zelf al in geen jaar meer geproefd had, niet gunde.
Het verslag van Alexander Friedrich Carl Wiesinger werd ons op verzoek van George Makowski ter hand gesteld door zijn dochter Judith Wiesinger in Canada. Jos Teunissen gaf het een bewerking.